Over de rol van kunst in een globaliserende samenleving

Framer Framed

Installatiefoto van de expositie 'Theme Park' van Brook Andrew, AAMU (2008-2009)

Het museum als instituut staat ter discussie

Door de globalisering, een veranderend publiek, de museale zoektocht naar maatschappelijke relevantie en een toenemende druk vanuit de overheid en subsidiënten staat het museum als instituut ter discussie: de rol in de samenleving en de relatie tot het publiek, de benadering van thema’s en voorwerpen, het onderzoekspotentieel en de werkwijze.
De globalisering in de moderne hedendaagse kunst is een feit. Het centrum van de kunstwereld bevindt zich niet langer in Parijs of New York; er is sprake van een mozaïek van over de wereld verspreide relevante centra. Toch was in musea voor moderne kunst lange tijd weinig niet-westerse kunst te vinden.1 Een nieuwe generatie conservatoren en museumdirecteuren luidde enige tijd geleden de noodklok.2 Hoe kunnen musea en kunstinstellingen een meer actieve rol spelen bij het bevragen en bevestigen van verschillende culturele identiteiten? Welke instrumenten hebben zij om potentiële nieuwe bezoekers te helpen met het formuleren en ontwikkelen van hun persoonlijke positie in een complexe, gemondialiseerde werkelijkheid?

Het is opmerkelijk hoe lang de musea voor moderne kunst in Nederland zich afzijdig van dit debat hebben gehouden. Museale zelfreflectie is wat dit betreft dringend gewenst. De traditionele museale grenzen tussen ‘moderne kunst’ en ‘niet-westerse materiële cultuur’ staan onder druk. Vanaf het einde van de vorige eeuw begonnen verschillende moderne kunstmusea zich in toenemende mate bezig te houden met het verzamelen en presenteren van hedendaagse niet-westerse kunst. Daarbij vormt de tentoonstelling Magiciens de la Terre (1989) van Jean-Hubert Martin in het Centre Georges Pompidou een belangrijk ijkpunt. Frans Haks nam in 1991 als directeur van het Groninger Museum een duidelijk standpunt in toen hij de tentoonstelling Africa Now (1992) organiseerde: “Het leek me niet langer gerechtvaardigd de vrije kunst uit het Westen in kunstmusea te tonen en de kunst uit de rest van de wereld aan de volkenkundige musea over te laten”, schreef hij in de begeleidende catalogus. Haks verzamelde voor het Groninger Museum eveneens hedendaagse Aboriginal kunst. Dit was destijds niet vanzelfsprekend. In 2004 besloot de huidige directeur Kees van Twist om deze kunstwerken in langdurig bruikleen te geven aan het AAMU – Museum voor hedendaagse Aboriginal kunst in Utrecht. Het Groninger Museum was naar zijn zeggen geen ‘etnografisch museum’. Het ontwikkelen van een postkoloniaal discours binnen de kunstwereld blijft noodzakelijk. Het formuleren van een nieuwe kunstgeschiedenis die de traditionele verdeling tussen het westen en ‘de rest’ vervangt door een geschiedschrijving waarin de recente politieke, sociale en economische ontwikkelingen in acht worden genomen, moet nog op gang komen.

In de sociale wetenschap speelt het debat omtrent (re-)presentatie inmiddels al ruim een kwart eeuw. Het baanbrekende werk van Edward Said Orientalism (1978) deconstrueerde de beeldvorming van ‘de ander’ in de westerse kunst. In de antropologische literatuur bestaat een uitvoerige discussie omtrent de politiek van etnografische representaties.3 Met de democratisering van de media en de opkomst van de postmoderne en postkoloniale theorievorming kwam de grens tussen subject en onderzoeker ter discussie te staan. De opkomst van goedkope en draagbare audio- en videorecorders leidde al snel tot de eerste experimenten. De objectieve alwetende verteller maakte plaats voor een vorm van wetenschap die uitging van pluriformiteit en meerstemmigheid. Het proces van kennisproductie mocht expliciet getoond en beschreven worden. In 1975 schreven de antropologische filmmakers David en Judith MacDougall: “No ethnographic film is merely a record of another society: it is always a record of the meeting between filmmaker and society”.4 Met de expliciete erkenning van een gemeenschappelijk gedeelde ruimte en gelijktijdigheid kwamen ethische vragen omtrent de (re-)presentatie van ‘de Ander’ centraal te staan.

Framer Framed
Het project Framer Framed stelt vanaf begin 2009 de positie van transculturele kunst in Nederlandse kunstinstellingen ter discussie in een reeks openbare discussies en de expertmeeting Onbegrensd verzamelen.5 In een ingezonden opiniestuk in NRC Handelsblad benadrukken Meta Knol, directeur van Stedelijk Museum De Lakenhal, en Lejo Schenk, directeur van het Tropenmuseum, de noodzaak om de Nederlandse museumwereld te bevrijden van de historische koloniale scheidslijn tussen het Westen en het niet-Westen.6 “Er is een voortgaand debat nodig tussen volkenkundige en kunstmusea over het verzamelen en tonen van moderne hedendaagse kunst, om zo te komen tot een uitwisseling van kennis, ervaring en expertise. Waar het gaat over de rol en positie van kunstenaars uit alle werelddelen in de globale kunstcanon, blijken kunstmusea en volkenkundige musea buitengewoon complementaire kennis en ervaring te bezitten”. Sinds de jaren tachtig deden volkenkundige musea diverse pogingen de musea voor moderne kunst bij deze discussie te betrekken.7 Nu, een kwart eeuw later, wordt het denken richting synthese en samenwerking steeds breder gedragen. Het project Framer Framed groeide de afgelopen periode uit tot een samenwerkingsverband tussen musea voor moderne en hedendaagse kunst, volkenkundige musea en erfgoedinstellingen in een poging de historische koloniale scheidslijnen tussen de verschillende typen musea te doorbreken.
Tijdens de bijeenkomsten van Framer Framed hebben museumdirecteuren, curatoren, kritische denkers en kunstenaars diverse strategieën onderzocht om tot een nieuwe praktijk van (re-)presentatie te komen. De erkenning dat geen enkele vorm van (re-)presentatie vrij is van politiek, vormt een eerste stap om het Nederlandse kunsthistorische discours te ontdoen van zijn etnocentrische wereldbeeld.8 Dit geldt zowel voor het maken van exposities in volkenkundige musea met hun vaak koloniale geschiedenis, als voor exposities in de ‘objectieve’ white cube van musea voor moderne kunst, waar eveneens neo-koloniale visies en connotaties gereproduceerd kunnen worden.
Robert Kluijver, freelance cultureel producent, benadrukte in zijn bijdrage aan het debat De blik op het Oosten in het Tropenmuseum het belang om diversiteit binnen de vele stromingen van hedendaagse kunst in het Midden-Oosten te erkennen. Dit voorkomt dat kunstenaars op basis van hun etnische of nationale achtergrond worden gekozen, maar vanwege de inhoud van hun werk. Een argument dat ook voor Macha Roesink centraal staat in haar werk als directeur voor Museum De Paviljoens in Almere. Het debat De koloniale blik vond plaats naar aanleiding van de tentoonstelling Beyond the Dutch – Indonesië, Nederland en de beeldende kunsten, van 1900 tot nu, die Meta Knol als conservator moderne en hedendaagse kunst voor het Centraal Museum in Utrecht samenstelde. In een vergelijking met de tentoonstelling Oostwaarts!, waarvoor Suzan Legêne als projectleider bij het Tropenmuseum verantwoordelijk was, kwamen verschillende uitgangspunten naar voren met betrekking tot de ontwikkeling van een postkoloniale tentoonstelling. Een kritische zelfreflectie over de rol van het Tropenmuseum bij het legitimeren van het kolonialisme, leidde tot het expliciet weergeven van meervoudige visies. Vanuit een diversiteit aan bronnen werden verschillende en soms conflicterende visies getoond, waarin de bezoeker zijn eigen positie moest vinden. Hammad Nasar, oprichter van kunstcentrum Green Cardamom in London, vertelde tijdens hetzelfde debat over zijn strategie de gevestigde kunstinstellingen in Londen van binnenuit te veranderen. Als onafhankelijk curator Centraal- en Zuid-Azië en het Midden-Oosten introduceert hij in diverse samenwerkingsverbanden een nieuw wereldbeeld dat het episch centrum verlegt van de Atlantische naar de Indische Oceaan. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van een breed palet aan vernieuwende curatele strategieën, die bijdragen aan een progressieve postkoloniale representatie van niet-westerse culturen.
Met de heropening van het Wereldmuseum in Rotterdam eind 2009 zette de directeur Stanley Bremer een nieuwe, commerciële koers uit. Het museum zal zich gaan richten op etnografische topstukken, bij voorkeur uit de periode vóór first contact. De objecten worden gepresenteerd als autonome kunstwerken met de focus op hun intrinsieke esthetische waarde. Contextualisering, ambachten en dagelijkse gebruiksobjecten zullen daarbij, net als hedendaagse kunst uit niet-westerse landen, van ondergeschikt belang worden.9
In het debat De exotische blik lichtte Bremer zijn aanpak toe. Centraal in het debat stond de vraag of marktwerking het proces van exotisering van ‘de ander’ in de hand werkt en welke strategieën ter beschikking staan om tot een gelijkwaardige (re)presentatie te komen. Bert Sliggers, conservator van het Teylers Museum, nam tevens deel aan het debat. Met zijn tentoonstelling De exotische mens, andere culturen als amusement (2009) toonde hij hoe de ‘exotische mens’ vanaf eind 19de eeuw in Europa werd geëxposeerd op wereldtentoonstellingen, koloniale tentoonstellingen, in volkerenshows en dierentuinen; als rechtvaardiging voor kolonisatie, als antropologisch object, als levende illustratie van de missing link in de evolutietheorie of simpelweg ter vermaak. Deze commerciële shows toonden de problematische constructie van stereotype beelden over ‘de ander’ als primitief, barbaars en zedenloos. Francio Guadeloupe, onderzoeker bij de Amsterdam School for Social Scientific Research (ASSR) van de Universiteit van Amsterdam, was eveneens panellid. Hij benadrukte het belang van dialoog en participatie bij de totstandkoming van (re-)presentaties om de nijging tot essentialisme te doorbreken.
Ondanks de autonome vorm van presentatie, waarbij de inherente kwaliteit van de niet-westerse werken tot hun recht komt, is het de vraag in hoeverre het Wereldmuseum een vernieuwende aanpak heeft ontwikkeld. Met de nadruk op kunst van vóór first contact, wordt een notie van authenticiteit opgeroepen die uitgaat van een pure beschaving, die niet is ‘aangetast’ door westerse invloeden. Het uitsluiten van hedendaagse kunst uit dezelfde gebieden als de getoonde objecten, maakt het leggen van verbanden met actuele ontwikkelingen onmogelijk. Het impliceert een statisch cultuurbegrip, dat weinig oog heeft voor cultuur als een continue en fluïde proces van uitwisseling en interactie.
De zoektocht van Nederlandse kunstinstellingen naar hun rol in de samenleving is actueel en noodzakelijk. Samenwerking tussen verschillende type kunstinstellingen en andere kennisinstituten helpt de lopende discussie vooruit. De ontwikkeling van nieuwe begrippen en denkkaders is gebaad bij een dergelijke multidisciplinaire aanpak. Verworven inzichten van andere vakgebieden kunnen een bijdrage leveren aan de formulering van een kunstdiscours dat in dialoog tot stand komt.

Door Cas Bool

Noten

1. De termen ‘westerse’ en ‘niet-westerse’ kunst zullen in de tekst veelvuldig worden gebruikt. We realiseren ons dat dit een tweedeling bevestigt en dreigt te bestendigen, die expliciet ter discussie wordt gesteld. We hebben ervoor gekozen om deze termen toch te gebruiken vanwege de machtsverhoudingen die ten grondslag liggen aan deze tweedeling. Onder ‘niet-westers’ hedendaagse kunst verstaan we ‘hedendaagse kunst die geheel of gedeeltelijk buiten de Europese en Noord-Amerikaanse canon valt’.

2. Een groep jonge conservatoren schreef in het manifest “Naar een mondig museum“, NRC Handelsblad, 7 december 2006, dat Nederlandse musea de nieuwe gemondialiseerde werkelijkheid onder ogen zou moeten zien.

3. Clifford, James and George E. Marcuse, Writing Culture: The Poetics and Politics of Ethnography, Berkeley: University of California Press, 1986

4. David MacDougall, “Beyond Observational Cinema’, in Paul Hockings, ed., Principles of Visual Antropology, The Hague: Mouton de Gruyter, 1975

5. De titel Framer Framed is ontleend aan de gelijknamige publicatie van de Vietnamese filmmaakster en filosoof Trinh Minh-ha, Framer Framed, New York: Routledge, 1992. Het project is tot stand gekomen op initiatief van Meta Knol en Josien Pieterse.

6. Meta Knol en Lejo Schenk, “Het onderscheid tussen westerse en niet-westerse kunst is achterhaald”, Opinie & debat, NRC Handelsblad, 3 januari 2010

7. In 1985 organiseerde Paul Faber de studiedag Moderne kunst in ontwikkelingslanden in het Tropenmuseum met als doel beide types musea tot samenwerking te bewegen. Wouter Welling, Kijken zonder Grenzen. Hedendaagse Kunst in het Afrika Museum / de Collectie Valk en verder, Berg en Dal: Afrika Museum 2006, pp. 18-19. In 1999 organiseerde het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden het symposium The Garden of Eden over de positie van moderne hedendaagse kunst in etnologische musea. Gerard Drosterij, Toine Ooms en Ken Vos, Intruders: Reflections on Art and the Ethnological Museum, Zwolle: Waanders Uitgevers, 2004

8. Lejo Schenk en Mirjam Shatanawi, Niet-westerse moderne kunst, VPRO, De Avonden, 27 januari 2010

9. Robert Dulmers, “Transparantie zit ‘m niet in glazen deuren. De terugkeer van het Wereldmuseum”, De Groene Amsterdammer, 9 december 2009



Museologie /

Magazine