Over de rol van kunst in een globaliserende samenleving

Framer Framed

Oktober 2016 werd in Hoorn op de sokkel onder het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen met verf de slogan ‘genocide’ aangebracht

Expertmeeting over de presentatie van omstreden erfgoed

Op donderdag 4 juli 2019 vond in het Westfries Museum de Expertmeeting over de presentatie van omstreden erfgoed plaats, dat een select gezelschap van professionals en betrokkenen uit de museale en wetenschappelijke wereld bijeen bracht, om met elkaar in gesprek te gaan over museale presentaties van omstreden erfgoed. De onlangs geopende tentoonstelling in het Westfries Museum genaamd Depok: de droom van Cornelis Chastelein (2019), diende hiervoor als case study.

Tijdens de middag gaven drie sprekers, Caroline Drieënhuizen, Stephanie Welvaart en Gijs Stork een reflectie op de tentoonstelling vanuit hun eigen expertise, die vervolgens werd besproken met het publiek. Daarnaast was Nonja Peters, gastcurator en één van de tentoonstellingsmakers, aanwezig. De moderatie werd verzorgd door Esther Captain, senior-onderzoeker en projectcoördinator bij het Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde (KITLV). Deze bijeenkomst werd georganiseerd door Framer Framed in samenwerking met het Westfries Museum, en is onderdeel van een trilogie aan evenementen die eenzelfde thema trachtten te onderzoeken. Wat hieronder volgt is een verslag van de middag.

Foto © Hans de Clercq / Letsch & de Clercq Visuals

Het is half drie ’s middags wanneer de eerste gasten binnendruppelen in de Schutterijzaal, de eeuwenoude ruimte aan de voorkant van het Westfries Museum. Grote ramen bieden uitzicht op de levendigheid van het historische hart van Hoorn, met in het midden van het plein pontificaal het standbeeld van J.P. Coen. Aanwezig bij ons in de zaal zijn levensgrote enkele VOC-beambten, die levensgroot op de schilderijen aan de wanden zijn afgebeeld. De schilderijen steken groot af tegen de toch intieme zaal, die vandaag gebruikt wordt voor de bijeenkomst. Een opzet rijtjes stoelen staat klaar, met in de voorzijde van de ruimte een halve maan met zitplekken voor de sprekers en moderator, met daarnaast een katheder die stamt uit dezelfde eeuw als de schilderijen. Bij binnenkomst worden we verwelkomt met een kop thee of koffie, en een plakje Lapis Legit (de Indische zoetigheid ook wel bekend als spekkoek). Tijdens de inloop van het programma vindt al de enige interactie plaats tussen de deelnemers. Sommige mensen kennen elkaar, andere introduceren zich naar de ander, contacten worden uitgewisseld. Het is precies drie uur wanneer Cécile Koenjer van het Westfries Museum de microfoon pakt voor een welkomstwoord. Namens directeur Ad Geerdink en het hele team, bedankt zij de circa 25 bezoekers voor hun komst. Cécile herinnert ons aan het thema dat vandaag besproken gaat worden; Hoe kunnen museale instellingen in hun presentatiebeleid omgaan met historisch beladen thematiek?

Een kennismaking met Framer Framed
Na een kort welkom gaan we verder met een kennismaking met Framer Framed. Dit gebeurt in interviewvorm, waarbij Esther Captain de vragen stelt aan directeur Josien Pieterse. Esther poogt op scherpe wijze te achterhalen wat de visie en missie is van Framer Framed en hoe de organisatie zichzelf ziet binnen het grotere debat van de dekolonisatie van museale- en erfgoedinstellingen. Josien vertelt hoe de aard van dit evenement precies de ontstaansgeschiedenis van Framer Framed belichaamd. Framer Framed is begonnen als kritisch platform voor discussie en dialoog over het Eurocentristische perspectief in het collectie- en presentatiebeleid van Nederlandse musea, en de Nederlandse kunstcanon. Vijf jaar reisde Framer Framed langs Nederlandse musea om collectie- en presentatiebeleid tegen het licht te houden. Bijeenkomsten als De Koloniale Blik (2009), De Exotische Blik (2010), Omstreden Geschiedenis (2012) en Hacking History (2012) zijn voorbeelden van bijeenkomsten die willen bijdragen aan de dekolonisatie van Nederlandse musea.

De initiatiefnemers van Framer Framed, waaronder Josien Pieterse, geloofden dat etnografische musea, hedendaagse kunstmusea, en erfgoedmusea meer inclusief konden zijn in hun presentatie- en representatiebeleid, en een nauwer afgewogen blik op de geschiedenis zouden moeten geven. Sinds vijf jaar heeft Framer Framed een eigen tentoonstellingsruimte, die vanaf september 2019 gevestigd is op de Oranje-Vrijstaatkade 71 in Amsterdam. Het contact met het Westfries Museum werd zo’n drie jaar geleden gelegd, om de missie van Framer Framed op landelijk niveau voort te zetten. Omdat het Westfries Museum hier zelf ook al actief stappen in maakte, besloten de twee instellingen een gezamenlijk programma te ontwikkelen, waarvan dit evenement de kick-off zal zijn.

Nieuw werk van Iratxe Jaio en Klaas van Gorkum, Kepala Batu (Hoofd van steen, 2012), in opdracht van Framer Framed. Foto: Rogier Fokke / Framer Framed

Het beleid van het Westfries Museum
Na een korte kennismaking met Framer Framed, neemt Cécile het woord. Aan de hand van een levendige anekdote deelt zij met ons wat het huidige presentatiebeleid is van het Westfries Museum, en hoe de tentoonstelling over Depok hier binnen past. Cécile begint bij Depok: “De tentoonstelling is een tentoonstelling óver, maar vooral ook vóór de Depok gemeenschap,” vertelt Cécile. “De opening was een feest voor de Depokkers. Een feest van herkenning, maar ook een feest van erkenning: erkenning van hun van herkomst, van hun geschiedenis.” Cécile noemt hierbij de tragedie van de Bersiap periode, maar ook een erkenning van de toekomstige generatie Depokkers, waar ook ter wereld. Tegelijkertijd is het museum zich ervan bewust dat de geschiedenis van Depok beladen is, en verweven is met thema’s als slavernij, kolonialisme, identiteit, en spanningen tussen religies. Met weloverwogen taalgebruik reflecteert Cécile op de verschillende dilemma’s en uitdagingen waar het museum voor staat: een museum die, zoals zij zelf zegt, de Gouden Eeuw tot speerpunt van haar instelling heeft gemaakt. Cécile vertelt hoe een maatschappelijke discussie in 2012 het museum ertoe heeft geleid om de manier waarop zij historisch beladen thema’s aan de orde willen brengen, kritisch onder de loep te nemen. Dit betrof de maatschappelijke discussie rondom het standbeeld van VOC-beambte J.P. Coen, dat al sinds 1893 pal voor de deur van het museum op een voetstuk staat. In die tijd liepen de gemoederen hoog op, en was het museum hier – onontkoombaar – nauw bij betrokken, vertelt Cécile. “Wij meenden deze discussie te willen en te moeten faciliteren.” Nadat het standbeeld – ogenschijnlijk bij ongeluk – van haar sokkel werd gestoten was het Westfries Musuem al bezig met het voorbereiden van de tentoonstelling, die zij ‘De zaak Coen’ betitelden. De maatschappelijke discussie over of het beeld moet blijven of verdwijnen heeft het museum op creatieve wijze gegoten in de vorm van een rechtzaaktentoonstelling. Met getuigen à charge en à decharge, en Coen stond overduidelijk in het beklaagdenbankje. Cécile vertelt hoe de bezoeker kennis kon nemen van de verschillende getuigenissen die voor en tegen waren en die werden uitgesproken door experts. Na deze meerstemmige en informatieve getuigenissen, was het de bezoeker die uiteindelijk het oordeel mocht vellen: “Blijft het beeld of moet het weg?”

Oktober 2016 werd op de sokkel onder het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen op het plein de Roode Steen in Hoorn de slogan ‘genocide’ aangebracht

Sinds ‘De zaak Coen’ volgt het Westfries Museum een zoektocht naar het best passende museale presentatiebeleid. Waar het uiteindelijk om draait, vertelt Cécile, is om historisch beladen thema’s meerstemmig te duiden, om informatie te verstrekken vanuit verschillende perspectieven. Cécile noemt hierbij als voorbeeld de tegenstelling die te zien is in hun VOC zaal, waar enerzijds het portret van J.P. Coen staat afgebeeld, met daarnaast een installatie van hedendaagse kunstenares Tineke Fischer, dat Coen in een heel ander daglicht zet. “Deze tegenstelling tussen historische realiteit en onze visies daarop schuurt, het roept vragen op en het stemt tot nadenken. Dat is de rol die wij als Westfries Museum voor ons zien weggelegd. Niet de geschiedenis voorzien van een moreel oordeel, niet zwart-wit, niet langs die heldere duidelijke lijnen van goed versus kwaad. Maar de bezoekers faciliteren om zelf een oordeel te formuleren aan de hand van verschillende visies en historische informatie.” Ook voor de tentoonstelling Depok geldt deze intentie van het museum.

Installatie Nootmuskaat en foelie van Tineke Fischer in Westfries Museum

Een interview met tentoonstellingsmaker Nonja Peters
Na deze kleurrijke uiteenzetting van Cécile, gaan we verder met het volgende programmaonderdeel. Dit is een interview met Nonja Peters: antropoloog, historica, museumcurator en één van de tentoonstellingsmakers van ‘Depok: de droom van Cornelis Chastelein.’ Nonja staat bekend om haar open houding als onderzoeker, die haar onderzoek voor een breed publiek toegankelijk wil maken. Esther vraagt Nonja naar het belang van het bereiken van een breed publiek. Nonja begint te vertellen over haar academische carrière. Na een relatief laat begin van haar carrière, behaalde Nonja op haar 56e haar PhD. Vanaf dat moment wilde zij niets liever dan zich direct te storten op het vertellen van echte verhalen. Ze richtte zich op de migratie in Australië, en vond het onmisbaar om de verhalen ook voor de migranten zelf zichtbaar te maken. Dit is hoe zij begon met het ontwikkelen van tentoonstellingen en het schrijven van toegankelijke boeken. Over haar onderzoek van Depok vertelt Nonja vol met fascinatie en bevlogenheid. De uitdaging in dit onderzoek leek hem vooral te zitten in de discrepantie tussen de blik van de Depok gemeenschap zelf, en de data die zij onttrok uit archieven en secundaire bronnen. Nonja legt uit: “It was an interesting experience, the research. Cornelis Chastelein left 244 hectares of land to his slaves, who would be free on his death. Through the work that had been done so far, he was a hero. I wanted to do research in archives. The more I was reading the more complex it was. He was a colonist, he had enslaved people, he was called a racist. This is the dilemma of doing an exhibition of this nature: of how the community sees him and how he comes out from the research.” Waar de zendelingen Chastelein prezen voor het voortzetten van Gods werk, zeiden anderen dat zijn testament een sociaal experiment omsloot. Op basis van deze tegenstellende berichten kwam Nonja op het idee van ways of seeing, gebaseerd op een boek met dezelfde titel, van John Berger. Nonja wilde af van een etnocentrisch beeld, en in lijn met de faciliterende rol die het Westfries Museum beoogt in te nemen, bespreekt Nonja de rol voor de onderzoeker: “Just as the museum, as researchers, we are not trying to influence you, we are not trying to make judgements. We are trying to show that this is the experience of a certain group of people.” Of het de tentoonstellingsmakers is gelukt om oordeelsvrij beeld te geven van de ervaring van deze specifieke groep, zullen de drie sprekers zo hun mening over geven.

Presentatie Caroline Drieënhuizen
Caroline Drieënhuizen trapt af. Caroline is onderzoeker, schrijver, en docent aan de Open Universiteit, met een specialisatie in de geschiedenis van koloniaal Indonesië, materiële cultuur, erfgoed- en museumstudies. Caroline geeft een eloquente lezing, met uitspraken die af en toe de spot lijken te drijven maar nooit ongegrond zijn. Met haar rijke vocabulaire en scherpe beschrijvingen die zo in een drukwerk gebundeld zouden kunnen worden, deelt Caroline met melodieuze stem haar ervaring van de tentoonstelling. Ze vindt het een prachtig initiatief. Een onbekende geschiedenis wortelend in het Nederlandse koloniaal verleden wordt “kundig onderzocht en prachtig in beeld gebracht,” stelt Caroline. Tevens is zij zich ook bewust van de uitdagingen die bij zo’n museale presentatie komen kijken. Hierbij noemt zij de complexiteit van deze geschiedenis, het grote aantal belanghebbenden, en de enorme emotionele lading. Het feit dat in deze tijd de roep om een kritische houding tegenover het Nederlands koloniaal verleden en haar uitwerkingen steeds luider klinkt, maakt dit niet makkelijker. Daar komt nog bij, stelt Caroline, dat het Westfries Museum drijft op de Gouden Eeuw, en is gehuisvest in een pand uit die tijd met J.P. Coen aan je voordeur. De Gouden Eeuw is uitgeroepen tot de ondernemende, avontuurlijke glorietijd van Nederland, stelt Caroline, en zij noemt hierbij Balkenende’s VOC-mentaliteit, en de doorwerking daarvan in de publieke opinie. Dit is bijvoorbeeld ook te zien in de city marketing van Hoorn. Al deze uitdagingen maken het niet makkelijk en het is dan ook duidelijk zichtbaar in de tentoonstelling en de bijhorende teksten, dat er intense discussies zijn gevoerd over de presentatie en representatie van Depok. Caroline gaat over op het bespreken van enkele kritiekpunten met betrekking tot de tentoonstelling, waarbij ze zich vooral richt op de taal en het ontwerp. Zo noemt ze de enorme lading aan dragende teksten die het verhaal van Depok pogen weer te geven, die maken dat de hoofdlijnen eigenlijk te lang zijn, en het gevaar dreigt dat de gemiddelde bezoeker, “lui en visueel ingesteld als die is,” enkel af zal gaan op “de prachtige portretten en de mooie citaten op de muur.” Daarnaast noemt Caroline de minimale aanwezigheid van niet-platte objecten in de tentoonstelling, die volgens haar als eye-catcher zouden kunnen dienen.

Een ander belangrijk commentaar van Caroline is het taalgebruik. Hoewel zij 
de keuzes wat betreft het spreken over ‘tot slaaf gemaakt’ in plaats van ‘slaaf’ prijst, is er ook nog veel te leren. “Het dekoloniseren van musea, waaronder deze poging om onmenselijk en onderdrukkend taalgebruik te ontmantelen, gaan echter niet over één nacht ijs, en dat weten we allemaal. Het kost tijd wil een museum daadwerkelijk loskomen van een eurocentrisch wereldbeeld en koloniale narratieven, en echt oprecht waarde gaan hechten aan de andere, altijd onderdrukte stem.” Zo wordt de lokale bevolking gewoon “inlanders” genoemd, en wordt er gesproken over “Balinese krijgers,” beiden termen met een denigrerende lading, volgens Caroline. Wat haar nog meer opvalt is het perspectief van de tentoonstelling, waarin het koloniaal hiërarchisch denken is terug te vinden. Zo ligt het perspectief volgend Caroline vooral bij de Europeanen, en wordt over alle anderen gesproken als niet-Europeaan. Bovendien worden alle Europeanen, zoals Chastelein en Anthony, met hun volledige naam genoemd, terwijl de families van Depok bij hun familienaam vooral genoemd, en de Indonesische bevolking “onbenoemd onderaan bungelt.” Wat Caroline daarnaast opvalt is het eufemistisch taalgebruik. Dit ziet zij terug wanneer er wordt gesproken over de discriminerende houding ten aanzien van koloniale bevolkingsgroepen, waar onmiddellijk aan toe wordt gevoegd dat Chastelein “een kind van zijn tijd was.” “U zegt niet een moreel oordeel te vellen, maar u doet het hier wel,” beargumenteerd Caroline. Ze gaat verder: “Dergelijk eufemistisch taalgebruik dekt de structurele discriminatie die aan de basis stond van koloniale machtsongelijkheid met de mantel der liefde toe. Door die discriminatie niet open en bloot, in al zijn lelijkheid en afschuwelijkheid voor het voetlicht te plaatsen, en te vergoeilijken met zo’n zinnetje, blijft de museumbezoeker onbewust van de ernst van de schaal en intensiteit van de discriminatie en ongelijkheid in de Nederlandse koloniale samenleving.” Caroline onderstreept de rol die musea dienen te hebben als leeromgeving, en niet als vermakelijk uitje. “Door koloniale, eurocentrische en wit supremistische denkbeelden en perspectieven onbewust – want dat geloof ik echt – te blijven herhalen, draag je bij aan de continuering aan ongelijkheid in de samenleving en de vervreemding van sommige groepen Nederlanders van musea.”

Als afsluiting van haar betoog geeft Caroline enkele suggesties ter oriëntatie voor een meer gedekoloniseerd beleid: wees je bewust van je eigen bias, zegt Caroline, waar zij naar refereert als term voor bepaalde culturele vooronderstellingen en vooringenomenheden. Maak je los van het eurocentrische perspectief, luister naar andermans verhalen over het verleden, en bedenk goed hoe je het verleden wilt benoemen, welke stemmen gehoord willen worden en hoe je die neerzet. Tot slot wijst Caroline ons er op dat het in 2021, 400 jaar geleden is dat J.P. Coen 96% van de bevolking van Banda ombracht. Aan het museum geeft ze een advies: “Grijp die kans. Ladeer die prachtige portretten van Coen en Eva Ment, waarover ik me als klein meisje zo over bewonderde, met schilderijen die Bandanese perspectieven kondigen. En laat de uitgesproken geuren van nootmuskaat en kruidnagel ons niet wegdromen naar een in de tijd gestold eiland, bevangen met onze laatste koloniale nostalgie. Laat ze een verhaal vertellen over genocide, structureel geweld, slavernij en machtsmisbruik,” aldus Caroline.

Ipeh Nur poseert voor haar nieuwe werk Bungah Merah (2018) over de volkerenmoord op de Banda-eilanden, gemaakt in opdracht van Framer Framed voor de Tolhuistuin in Amsterdam.

Presentatie Stephanie Welvaart
Na een indrukwekkende aftrap Caroline Drieënhuizen, gaan we vrijwel direct door naar de presentatie van Stephanie Welvaart. Stephanie is onderzoeker, adviseur en projectleider, en is momenteel werkzaam bij de NIOD: Instituut voor Oorlogs-, Holocaust-, en Genocidestudies. Hier werkt zij als onderzoeker bij het project ‘Getuigen & Tijdgenoten,’ als onderdeel van het onderzoeksprogramma ‘Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950’. Met een rust en bedachtzaamheid neemt Stephanie plaats achter het katheder, en nadat ze haar aantekeningen heeft geordend en oogcontact met de zaal heeft gemaakt, begint zij haar verhaal. Stephanie begint met enkele algemene opmerkingen over het maken van tentoonstellingen, en het vertellen van verhalen in het algemeen: “Het belang van persoonlijke verhalen staat zowel bij mij als Nonja centraal,” legt ze uit. “Als verhalenverzamelaars hebben we een grote verantwoordelijkheid wat betreft welke verhalen naar voren komen, en op welke manier. Voor mij is hier ruimte voor complexiteit heel belangrijk: de kleine en persoonlijke verhalen kunnen dat juist heel groot worden, omdat ze kunnen laten zien hoe het voor mensen zelf is geweest om in een bepaalde structuur of in een bepaald systeem te leven.” Stephanie noemt hierbij het belang van het streven naar meerstemmigheid, ook als een stem soms moeilijk te vertegenwoordigen is, bijvoorbeeld als je als onderzoeker geen toegang blijkt te hebben tot archieven, of de meeste betrokkenen al zijn overleden. Er is een rijkheid aan informatie buiten archieven, vertelt Stephanie, in het geval van Depok bijvoorbeeld de predikanten die iets hebben geschreven. Tot slot noemt Stephanie het belang om als tentoonstellingsontwikkelaar jezelf eerlijk de vraag te stellen: Voor wie doen we het eigenlijk?

Vervolgens deelt Stephanie enkele weloverwogen opmerkingen en suggesties met betrekking tot de Depok tentoonstelling. Zo verwijst zij naar Depok als een “hele interessante casus,” omdat het de mogelijkheid biedt verbanden te leggen tussen de VOC, slavernij en de koloniale tijd. De geschiedvertelling gaat in snelvaart, beschrijft Stephanie, wat ze op zich knap vindt gezien de beperkte beschikbare ruimte. De tijdlijn is daarbij behulpzaam, zegt ze, maar beperkt tegelijkertijd de ruimte voor reflectie op de verbinding tussen de drie zojuist genoemde thema’s. Stephanie zou dan ook de voorkeur hebben gegeven aan een thematieke ordening van de tentoonstelling, in plaats van een ordening op chronologische wijze.

Hoe dan ook vindt Stephanie het mooi dat de Depokkers aan het woord komen, en fantastisch dat er niet alleen naar Nederland maar juist ook naar Indonesië wordt gekeken. Evenals Caroline, deelt Stephanie enkele opmerkingen met betrekking tot taalgebruik en framing. Zo vindt ze de manier waarop naar slavernij wordt verwezen toch nog erg verhullend, omdat “het lijkt alsof er heel open en bloot over wordt gesproken, maar juist die schijn roept geen kritische houding op. Je zou zomaar niet doorhebben wat je daar eigenlijk aan het lezen bent,” zegt ze. Één van de voorbeelden die Stephanie hierbij noemt is de zin: “De VOC had behoefte aan arbeidskrachten en maakte gebruikt van het bestaande systeem van slavernij.” Dit is volgens Stephanie een verhullende zin die het handelen van de VOC bijna rechtvaardigt. Namelijk omdat het citaat voorbij gaat aan het feit dat de VOC niet alleen gebruik maakte van het systeem van slavernij, maar er zelf actief of voortbouwde. Stephanie stelt dat ons taalgebruik kan zorgen voor een bagatellisering van de geschiedenis, hetgeen kan zorgen voor een soort schijnneutraliteit. Terwijl, zo concludeert Stephanie, presentatie nooit neutraal is. Daarom moeten museale instellingen juist actief kijken naar hun bias en blinde vlekken. Het heldenverhaal van Chastelein, dat centraal staat binnen deze tentoonstelling, past binnen de verheerlijking van de VOC en zorgt niet voor de meerstemmigheid waar Stephanie op hoopte. Wat zij nou juist zo interessant lijkt is om het heldenverhaal te bevragen: Hoe komt het dat de Depokse gemeenschap Chastelein zo op een voetstuk zet? Hoe zijn ze op dat heldenverhaal gekomen, en zijn er binnen de latere generaties kritische noten naar geweest? “In die zin een gemiste kans met heel veel potentieel,” sluit Stephanie haar lezing af.

Presentatie Gijs Stork
Direct gaan we door naar de derde en laatste spreker, Gijs Stork. Gijs Stork is curator, galeriehouder, ondernemer en kunstverzamelaar, met een expertise in kunstgeschiedenis, beeldende kunst, fotografie, en sculptuur. Gijs is initiator van een grootschalig project in Amsterdam over identiteit en het verbinden van het verleden en het heden, waarbij zijn eigen familiegeschiedenis centraal staat. Binnen deze familiegeschiedenis is slavernij één van de onderwerpen, naast thema’s als Joodse voorouders, vrouwen, en migratie. Het project zal verschillende takken en activiteiten kennen, waaronder een podcast, tentoonstellingen, wandelingen, en een openhuis-dag waar de woningen van slavenhouders zullen worden bezocht.

Gijs is bescheiden en openhartig, en op momenten ook stellig, wanneer hij met het publiek deelt waar dit project haar wortels kent, en, aan de hand daarvan, waarom hij hier vandaag eigenlijk staat te spreken. Hij vertelt over de twee portretten van 17e eeuwse Amsterdammers, die zijn grootmoeder erfde, en hoe zij vervolgens is gaan onderzoeken wie de afgebeelde Amsterdammers zijn en wat ze hebben gedaan. Het boek dat zijn grootmoeder daarover schreef is mede tot stand gekomen door Gijs. Wat hem zelf zo interesseert aan schilderijen, en wat hij is zijn beroepspraktijk ook doet, is om niet alleen te kijken naar het schilderij an sich, maar juist naar de personen die erop zijn afgebeeld. Er is zoveel te ontdekken over de persoon, maar vaak lopen we er klakkeloos langs: “Het is een Rembrandt, het is een van der Helst, etc.” beschrijft Gijs dit vluchtige proces van kunstkijken.
Vervolgens vertelt Gijs hoe hij, na de publicatie van zijn grootmoeders boek, verder is gegaan met het ontrafelen van de familiegeschiedenis. Twee jaar geleden ontdekte hij voorouders die geboren waren in Suriname. Hij komt erachter dat zij eigenaren waren geweest van plantages in Suriname. “Eerst dacht ik ‘Oeps,’ en vervolgens dacht ik ‘Hoe ga ik daarmee om?’” vertelt Gijs op gevatte wijze. Ondanks dat hij er mee worstelt dat hij nazaat is van slavenhouders, komt hij graag naar voren om erover te praten. (Luister hier de podcast van Mapping Slavery met Gijs Stork). Over het J.P. Coen standbeeld voor de deur van het Westfries Museum, stemt hij dan ook in om het “alsjeblieft” te laten staan. “Laat het maar zien, dat is waar ik voor sta. Laat maar zien dat het er was. Laten we proberen met elkaar in gesprek te raken en ermee om te gaan.”

Bovenal is Gijs lovend over de insteek van de tentoonstelling over Depok. Hij leert er veel van, zegt hij. “Als ik nu door die tentoonstelling loop ben ik eigenlijk heel positief. Hoe fijn is het dat juist dit verhaal verteld wordt. Ik zie persoonlijk een ander verhaal in het trans-Atlantische verhaal. Ik ben heel blij dat er ook andere stemmen zijn in het discriminatieverhaal en het slavernijverhaal dan alleen maar de Surinaamse stemmen.” Het Westfries Musem prijst hij, omdat dit niet de eerste tentoonstelling is die een nieuw, inclusiever perspectief biedt. Want de vergankelijkheid en de ‘hype’ van de diversiteits- en inclusiviteits agenda’s van museale instellingen is iets waar Gijs zich zorgen over maakt. Het Rijksmuseum, de Hermitage, de Oude Kerk, het Van Loon Museum: allemaal gaan ze een slavernijtentoonstelling doen. “Maar wat doen we in 2022?” vraagt Gijs zich hardop af. “Volgens mij doen jullie het hier in Hoorn heel goed. Niet omdat het nu hip and happening is en iedereen het er over heeft.” Gijs noemt window dressing en appropriation als huidige ontwikkelingen. “Kijk ons nu eens divers zijn. Daar krijgen we subsidie voor,” verwijst hij op spottende toon naar zijn observaties binnen de museale wereld.

Gijs sluit af met een persoonlijke ervaring die hem is bijgebleven tijdens zijn bezoek aan de tentoonstelling over Depok. Afgelopen dinsdag toen hij de tentoonstelling bezocht, liep er een vrouw voor hem. Op een gegeven moment bleef ze staan en riep ze verheugd: “Wauw, mijn opa en oma! Daar staan ze!” Gijs vervolgt: “En dan denk ik van ‘Wauw, dat is precies waar je het voor doet.’ Want deze mevrouw herkent iets. Als ik deze tentoonstelling had gemaakt en ik had die vrouw gezien dan had ik gedacht: daar doe je het voor.”

In gesprek met het publiek
Drie zeer diverse en boeiende presentaties en een korte pauze later, is het tijd om met het publiek in gesprek te gaan. Dit gesprek vindt plaats onder begeleiding van Esther Captain, die om ons op te frissen enkele punten uit de presentaties uitlicht. Ze noemt het belang van het faciliteren van de maatschappelijke discussie vanuit het museum; het belang van meerstemmigheid; het belang van taal; het belang van erkenning en van mensen een stem geven. Meteen werpt Esther de vraag op of dat laatste dan ook een verantwoordelijkheid van een museum is. Ook bevraagt Esther wat het vertellen van de ‘juiste’ geschiedenis is – een opmerking die eerder is gemaakt. Esther herhaalt het punt dat presentatie nooit neutraal is, maar hoe komen we wel los van etnocentrisme? Tot slot vraagt Esther het publiek hoe het dekoloniseren van museale praktijken aangepakt zou moeten worden. Verschillende gasten komen aan het woord, Peter Gonggrijp bijt het spits af, met een opmerking waar hij het onderscheid maakt tussen ontwikkeling en handel: wat waren de drijfveren van Chastelein, puur om handel te drijven of om te streven naar ontwikkeling van de Depok gemeenschap? Antropoloog filmmaker Janine stelt vervolgens een vraag over de beschikbaarheid van onderzoek, zodat de meerstemmigheid uit de onderzoeksdata ook echt onderdeel kan worden van de maatschappelijke discussie. Janine richt zich hierbij specifiek op Stephanie en het onderzoek Getuigen en Tijdgenoten bij de NIOD. Stephanie legt uit dat er inderdaad een collectie komt van alle verzamelingen en dat daar ook een uitgave van wordt voorbereid.

Vervolgens wordt Nancy Jouwe uitgenodigd om iets te vertellen over het project Mapping Slavery, een project rondom publieksgeschiedenis, waarin landelijke locaties die een relatie hebben met de geschiedenis van slavernij in kaart worden gebracht. Na het uitbrengen van drie gidsen in twee talen, gaat de organisatie binnenkort Batavia mappen. Ook bestaan er videoseries die zich richten op het doorbreken van bestaande mythes rondom slavernij. Het initiatief maakt hierbij heel bewust gebruik van onderzoek van mensen buiten de universiteit. Mensen met hun eigen familiegeschiedenis. Immers, “kennisdeling vindt overal plaats,” stelt Nancy.

Daarna gaat het woord naar Pamela Pattynama, die zichzelf voorstelt als onderzoeker met interesse in de Indische cultuur en de veranderingen in herinneringen aan het koloniale verleden. Pamela is blij met de onderwerpkeuze van de tentoonstelling, en wel om twee redenen. Ten eerste komt ze regelmatig in Depok, omdat ze daar vrienden heeft wonen. De geschiedenis kende ze dus al. Daarnaast is ze blij omdat Depok een samenkomst is van een heleboel issues en problemen waar we op het ogenblik mee te maken hebben. “Het is dus niet alleen een interessante geschiedenis, maar ook juist omdat het witte schuldgevoel, het koloniaal verleden, de slavernij, etc. heel recent is.” Daarnaast noemt Pamela dat Chastelein’s heldenstatus – zoals die in de tentoonstelling naar voren komt en die door Stephanie als te vanzelfsprekend is benoemd – ook belangrijk is om te bespreken. “Juist de complexiteit, de dingen waar je geen oplossing voor weet, die zijn belangrijk in een tentoonstelling. Depok zou daar een hele mooie casus voor zijn.” Nonja reageert hier vervolgens op, en deelt haar visie op de kwestie waarom veel Depokkers Chastelein op een voetstuk plaatsen. Volgens Nonja is het ophemelen van Chastelein namelijk het oorsprongsverhaal (origins narrative) voor veel Depokkers. Omdat de Depokkers van allerlei verschillende werelddelen komen en er een kleine kans bestaat dat ze iets over hun origine uitvinden, biedt het beeld van Chastelein als heldhaftige stichter houvast voor de gemeenschap. Ellie Hoed, gastvrouw van het Indisch museum Breda, dat hier overigens met een afvaardiging van maar liefst vijf mensen aanwezig is, is dankbaar en wil graag haar lof uitspreken. Ze vindt de sprekers geweldig, en is zelf ook steeds beter in het begrijpen van haar eigen familiegeschiedenis. Onder andere door de ervaringen die ze opdoet bij het Indisch Museum in Breda.

Even later werpt Esther Captain een opmerking op die ze onlangs van een man uit Welsh hoorde, namelijk dat wij in Nederland erg in een ‘consensuscultuur’ leven, waarbij we bang zijn onenigheid te veroorzaken. Dit maakt het een opgave om tegenstand en kritiek te uitten, merkt Esther op. Nonja is het met de Welsh eens. Vervolgens ontstaat er een discussie over terminologie, met name de term “Balinese krijger,” die Caroline beschreef als denigrerend. Dirk Staat van het Nationaal Militair Museum vraagt zich af wat de alternatieven zijn. Een soldaat impliceert immers een bepaalde rangorde, en een militair is iemand van een statelijke partij, stelt Dirk. Die termen kunnen dus niet overal op worden toegepast. Bovendien is krijger een juridische term, zegt hij. Nancy reageert hierop dat een term altijd een bepaalde connotatie heeft, en dat daar het probleem ligt. Even later wijst Nancy het publiek op het boekje Words Matter, tweetalig uitgebracht door het Tropenmuseum, en beschikbaar op hun website.
Liesje de Leeuw van het Indisch Museum Breda merkt op dat we in een semantische discussie terecht zijn gekomen, en verwijst naar de veranderlijkheid van connotaties. Ze geeft het voorbeeld van haar vader, die tijdens zijn leven nooit Indo genoemd wilde worden, maar die term in zijn memoires juist veelvuldig gebruikte om naar zichzelf te verwijzen. Het woord was verschoven van een scheldwoord naar een geuzennaam, stelt Liesje. Met de Balinese krijger komen we er nog niet uit. Misschien kunnen we het dus toch wel in onze consensuscultuur: onenigheid veroorzaken.

Even hierna staat een ander publieks-lid op om het woord te nemen. Het is een Indische vrouw woonachtig in de Verenigde Staten, die daar het zogenoemde Indo Project heeft opgezet, dat de Indische diaspora in Amerika inzicht dient te geven in hun eigen geschiedenis. Wisselend tussen Engels en Nederlands, spreekt ze over de beperkte toegankelijkheid tot historische informatie voor Engelstalige Indonesiërs. “You don’t know how jealous I am of you, because you are talking about things we don’t even understand yet,” vertelt ze openhartig. Dit komt omdat de hele geschiedschrijving tot noch toe in het Indonesisch of in het Nederlands is. Ze doet dan ook het verzoek aan alle aanwezigen om de feiten omtrent de koloniale geschiedenis van Indonesië in het Engels te delen. Want dit gebrek aan kennis over eigen verleden heeft zijn maatschappelijke uitwerkingen. “In Amerika denken mensen dat we Filipijns of Latino zijn,” zegt de vrouw. “And we refuse to be a footnote,” voegt ze daar stellig aan toe.

Tegen het eind van de middag, neemt Josien van Framer Framed nog eenmaal het woord. Ze merkt op dat het belang van meerstemmigheid meermaals is teruggekomen binnen de discussie, maar dat meerstemmigheid alleen niet voldoende is. “Er zitten machtsverhalen achter, er zit lading achter: dat komt niet alleen naar voren met meerstemmigheid, daarvoor moet je ook een hedendaagse context laten zien van antiracisme en dekolonisatie” zegt Josien. Tot slot sluit Cécile van het Westfries Museum af met een dankwoord, waarbij zij een aantal cadeautjes uitreikt. Cécile oppert het idee om wellicht een deel twee te organiseren, omdat we nog lang niet zijn uitgepraat. Dat blijkt inderdaad het geval. Als de beveiliging van het museum ons niet met de zachte hand richting de uitgang had doen bewegen, dan stonden we er nu wellicht nog na te praten.

Text: Merel Overgaag


Aanloop naar de tentoonstelling

Deze bijeenkomst maakt onderdeel van een serie lezingen in aanloop naar de tentoonstelling On the Nature of Botaniacal Gardens (2020) in opdracht van Framer Framed samengesteld door Sadia Boonstra. De opening van deze tentoonstelling staat gepland op 23 januari 2020, 18:00u.

Onderstaand een mooie bespreking van het nieuwe werk van Zico Albaiquni, onderdeel van de tentoonstelling, door Rick Blom van Amsterdam Unlocked:
“De meeste mensen zien een botanische tuin als een plek vol kleur, prachtige bloemen en kruiden: een exotische idylle. Waar je misschien niet bij stilstaat is dat botanische tuinen koloniale wortels hebben. Het zijn tuinen die, als je inzoomt op de geschiedenis erachter, een rol speelden bij het bouwen van een koloniaal imperium. Ook in het geval van Nederland. Het waren proeftuinen waarin men experimenteerde met gewassen. Welke zijn geschikt om te verbouwen in een kolonie en leveren het meeste economisch voordeel op? In deze aflevering van Amsterdam Unlocked laat de Indonesische kunstenaar Zico Albaiquini zien hoe hij kijkt naar het fenomeen botanische tuin.”

Het gehele programma vormt een samenwerking tussen Framer Framed en het Westfries Museum en wordt mede mogelijk gemaakt door DutchCulture.



Contested heritage / Koloniale geschiedenis / Museologie /

Agenda


Memoria Plantae: Perspectives on the Dutch Botanical Network
Paneldiscussie met Sadiah Boonstra, Andreas Weber en Jennifer Tosch in aanloop naar de komende tentoonstelling

Netwerk


Caroline Drieënhuizen

Historicus en universitair docent

Esther Captain

Historicus

Josien Pieterse

Directeur Framer Framed

Pamela Pattynama

Hoogleraar

Nancy Jouwe

Phd kandidaat