Over de rol van kunst in een globaliserende samenleving

Framer Framed

Installatiefoto Oostwaards!, Tropenmuseum, Amsterdam

Expositie: Oostwaards! Kunst, cultuur en kolonialisme

Oostwaarts! Kunst, cultuur en kolonialisme is een nieuwe vaste expositie van het KIT Tropenmuseum in Amsterdam. De expositie gaat over de rijke cultuur en geschiedenis van Zuidoost-Azië en Oceanië en biedt bovendien een dwarse kijk op ons koloniale verleden. Het Tropenmuseum grijpt met topstukken uit de eigen kerncollecties en een bijzondere thematentoonstelling over Nederlands-Indië terug op zijn eigen geschiedenis. Oostwaarts! beslaat de hele 1ste omgang van de beroemde Lichthal die voor dit doel geheel opnieuw is ingericht. De titel Oostwaarts! is ontleend aan het reisverslag van Louis Couperus uit 1921-23, dat eerst als feuilleton verscheen in de Haagsche Post, en postuum, in 1924 als boek uitkwam bij uitgeverij Leopold. Couperus zelf symboliseert de diepe verankering van de koloniale ervaring in de Nederlands cultuur. Zijn werk geeft aan die bindingen uitdrukking. Welke uitgangspunten heeft het KIT Tropenmuseum gehanteerd bij de ontwikkeling van de deeltentoonstelling Nederlands-Indië, een koloniaal verleden? Begripsbepaling Kolonialisme is het zich vestigen in een vreemd land, het koloniseren (in gebruik nemen, exploiteren en ontwikkelen) van de natuurlijke hulpbronnen van dat land en het streven de oorspronkelijke bewoners van dat aldus in bezit genomen gebied vanuit het moederland te overheersen en besturen. In de nieuwe vaste afdeling Nederlands-Indië, een koloniaal verleden verwijst de term naar de vestiging en expansie van de Nederlanders in de Indonesische archipel, beginnend rond 1600 en eindigend rond 1949 (Indonesië) en 1963 (Papoea). De tentoonstelling heeft als basispatroon de ontwikkeling van het Nederlands kolonialisme in drie fasen, met dekolonisatie als vierde fase. In ieder van die fasen veranderde niet alleen de politieke structuur van de kolonie en de Nederlandse aanwezigheid aldaar, maar ook politieke vorm van ‘Nederland’ zelf. 1600-1799 De eerste fase betreft de periode van het handelskolonialisme van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, uitgeoefend door de VOC van 1602 tot ca. 1799. Slechts een beperkt aantal Nederlanders (en anderen in dienst van de VOC) vestigde zich overzee. Hun invloed was gebaseerd op zeer beperkte territoriale controle, maar ook op een afgedwongen en strikt gehandhaafd handelsmonopolie. In de Republiek waren het de kooplieden in de kustprovincies die met dit handelskolonialisme daadwerkelijk bemoeienis hadden. 1800-1900 De tweede fase betreft de periode van de koloniale expansie en de vestiging van een politiek, militair en wettelijk gereguleerd direct bestuur gedurende de negentiende eeuw. Dit bestuur werd vanaf 1816 aangestuurd vanuit de bestuurlijke en economische elite van het inmiddels opgerichte Koninkrijk der Nederlanden rond Koning Willem I en in de archipel uitgeoefend door een nog steeds beperkt aantal mannelijke Nederlanders, afkomstig uit die elite. Het handelsmonopolie werd aldus opgevolgd door een imperialistische, op dwang gebaseerde, langzaam uitbreidende exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen ten bate van economische ontwikkeling van Nederland. De hele negentiende eeuw voerde Nederland hiervoor strijd met de legitieme heersers van opstandige regio’s die hun autonomie niet wilden opgeven. Andere heersers werden in het koloniale bestuur ingevoegd. 1901 – 1942 De derde fase betreft de periode van de ethische politiek vanaf ca. 1900, die onder druk kwam in de jaren dertig tot het einde van het effectieve Nederlandse bestuur in 1942. De koloniale elite werd uitgebreid met onderwijzers, journalisten, kunstenaars, rechters, echtgenotes etc., mannen en vrouwen die zich voor korte of langere tijd in de archipel vestigden en zich wijdden aan verdere ontwikkeling van de kolonie en haar bewoners ten bate van een zo lucratief mogelijke (sociaal-economische, culturele) wisselwerking tussen Nederland en de kolonie. In Nederland was algemeen kiesrecht ingevoerd en de verzuiling een feit. Onder brede lagen van de bevolking ontstond de overtuiging dat het overzeese rijk onlosmakelijk onderdeel was van het koninkrijk: in de kolonie ‘vereuropeaniseerde’ een belangrijk deel van de bestuurlijke elite en verloor contact met de ontwikkelingen onder de gekoloniseerde bevolking. Naast en binnen de bij het koloniale bestel betrokken lagen van de bevolking ontstond een nationalistische beweging. 1942 – nu De vierde fase betreft de dekolonisatie, die in politiek/militair opzicht begon met de Japanse inval en eindigde met de soevereintiteitsoverdracht 1942-1949, maar die als proces veel vroeger begon (begin twintigste eeuw) en tot op heden doorwerkt (de ontwikkelingen rondom Nieuw-Guinea zijn er integraal onderdeel van). Nederland voerde na 1945 oorlog met de nationalisten om het behoud van de kolonie en verschillende bevolkingsgroepen zagen zich tot in de jaren zestig genoodzaakt of gedwongen om naar Nederland te ‘repatriëren’. Die terugkeer of eerste aankomst in Nederland en de wijze waarop de Nederlandse samenleving daarmee omging, is een belangrijke factor in de perceptie van het koloniale verleden in de huidige samenleving. Uitgangspunt van de tentoonstelling Tegen deze achtergrond is Nederlands-Indië, een koloniaal verleden opgezet, waarbij de derde fase, de koloniale samenleving ten tijde van de ethische politiek, het vertrekpunt vormt. Niet de chronologie en het politieke feitenrelaas, maar de koloniale fascinatie en cultuur staan daarbij centraal.

1.
De tentoonstelling Nederlands-Indië, een koloniaal verleden is een expliciet postkoloniale tentoonstelling die Nederlandse koloniale beelden, opvattingen, ervaringen en waardepatronen onderzoekt en ter discussie stelt. Historische ontwikkelingen uit de vier fasen van de koloniale geschiedenis worden gevisualiseerd, niet als een feitenrelaas, maar met de bedoeling dat de bezoekers tot nadenken worden aangezet over koloniale cultuur. Hierbij speelt ‘beleving’ als ervaringsbeginsel en overdrachtstechniek een belangrijke rol. Bij nadenken over koloniale cultuur gelden verschillende gezichtspunten: van de (ex-)kolonisatoren, van de (ex-)gekoloniseerden, van de (nazaten van de) nieuwe (etnische en culturele) bevolkingsgroepen en milieus die in het kolonisatieproces ontstonden door immigratiebeleid, relaties, sociale mobiliteit, bestuursstructuren etc. Die perspectieven zijn niet eenduidig ‘positief’ of ‘negatief’ maar bevatten vele, vaak ook tegenstrijdige, elementen. Bovendien kunnen de perspectieven individueel sterk verschillen. Niet ieder individu binnen elk van die groepen beleefde het kolonialisme op dezelfde manier en maakte dezelfde keuzen en ook op die keuzen kan weer heel verschillend teruggekeken worden. Het Tropenmuseum is zich van deze heterogeniteit bewust en wil, met deze tentoonstelling als niet-bedreigend en niet-moraliserend referentiepunt, een context bieden die bezoekers in staat stelt vanuit de huidige eigen positie in de Nederlandse samenleving en de eigen relatie tot het koloniale verleden na te denken over de vele verbindingen die er in Nederland met dat verleden zijn. Speciaal voor jongeren wordt daarbij een programma geboden dat, aansluitend op de tentoonstelling, ingaat op inleving en rolidentificatie.

2.
Het gegeven van meervoudige perspectieven op het koloniale verleden wordt expliciet uitgewerkt in het centrum van de tentoonstelling, dat gaat over de derde fase van het kolonialisme: de koloniale samenleving van de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw. Tijdens die fase vond in Nederland een dominante stroming het vanzelfsprekend en juist dat Nederland over Indonesië regeerde (en ontleende daaraan voor zichzelf en ons land ook een belangrijke status). In Indonesië identificeerde een deel van de bevolking zich om uiteenlopende redenen met het Nederlandse koloniale ontwikkelingsdenken dat het kolonialisme legitimeerde. Zij maakten door afkomst en/of maatschappelijke positie volledig deel uit van het koloniaal bestel. Anderen pasten zich aan of organiseerden tegenbewegingen. Die antikoloniale kritiek en oppositie is hier bedoeld in de breedste zin van het woord: wetenschappelijke, culturele en politieke kritiek in Nederland en overzee, de nationalistische beweging in al zijn schakeringen, maar ook passief verzet van bevolkingsgroepen of individuele vrijplaatsen van mensen die zich aan het koloniale systeem onttrokken: in dit verband kijken we ook expliciet naar strategieën van vrouwen. Het Tropenmuseum is zich bewust van de eigen dominante rol die het Koloniaal Museum heeft gespeeld in de vormgeving van deze visies op het kolonialisme. In de verschillende onderdelen wordt daarom consequent gezocht naar diversiteit in bronnenmateriaal, en het concept is in discussies met een groot aantal betrokkenen ontwikkeld. Het Tropenmuseum kiest voor de derde fase van het Nederlands kolonialisme als zwaartepunt van de tentoonstelling, omdat de periode 1900-1942 hier en in Indonesië nog actief wordt herinnerd en mondeling wordt overgedragen, veel beschreven en uitgebeeld is én wordt in literatuur, schilderkunst, films. Dit zijn allemaal belangrijke bronnen voor het bieden van meervoudige perspectieven op het kolonialisme. Bovendien is deze periode van belang geweest voor de geschiedenis van het Tropenmuseum en de collecties waarmee we dit verhaal willen vertellen. De voorafgaande opbouw van het koloniale bestel en de erop volgende dekolonisatie liggen erin besloten.

3.
In plaats van een chronologisch feitenrelaas te bieden, roept de tentoonstelling Nederlands-Indië, een koloniaal verleden in vier grote tentoonstellingsunits gekoppeld aan de verschillende fasen van het kolonialisme een aantal beelden op die licht werpen op de soms tegenstrijdige elementen van een koloniale mentaliteit. Ze zijn gekozen op hun relevantie voor het heden, op de mogelijkheden die ze bieden voor onderwijsprogramma’s die op ervaren en beleven zijn gebaseerd, en op de mogelijkheid in de randprogrammering voor een vergelijking met ‘andere kolonialismes’. Dat zijn: Contact en controle Van rariteitenkabinet tot handelsmuseum – ‘Kennismaken’: verwondering, bewondering, wetenschappelijke en culturele toe-eigening, verbreding van het wereldbeeld; fundamentele vragen over God, het systeem van de natuur, tijd en gelijktijdigheid, rassen en menstypen, ontwikkeling, stadia van productie en vooruitgang Kruidnagels en kruitdamp – ‘Botsen’: creatie van vijandbeelden ter versterking van het eigen gelijk; polarisatie in de beeldvorming over de ‘inheemse bevolking’ als enerzijds gezeglijk, trouw, ondergeschikt en mysterieus, anderzijds woest, wreed, niets ontziend. Godsdienstig verschil, in confrontaties vaak uitvergroot, speelt daarbij een rol. Koloniale samenleving in Indië Thuis in Indië – ‘Samenleven’: het wankele evenwicht tussen kolonisator en gekoloniseerde, en de eigen positie van vrouwen en kinderen in het koloniaal bestel; afstand en nabijheid, enerzijds verbonden aan de inheemse samenleving anderzijds verbonden aan Nederland Kunst in Indië – ‘Intercreatie’: oriëntalisme, westerse fantasieën over de natuur en de bevolking, de rol van kunst in het proces van Indonesische natievorming, de rol van etnografica in de Nederlandse kunst Onderwijs in Indië – ‘Communicatie’: taalpolitiek en onderwijsbeleid als instrumenten voor enerzijds voor segregatie onder de bevolking en anderzijds als kiemen voor nationalisme Ondernemen in Indië – ‘Exploitatie’: de dwang uitgeoefend op koloniale onderdanen teneinde de natuur te bedwingen, gerechtvaardigd door economische exploitatie Exploratie en Expositie Koloniale vertoningen – ‘Presentatie en representatie’: de wetenschappelijke en culturele toe-eigening en verbreding van het wereldbeeld in de eerste helft van de twintgste eeuw gespiegeld aan het rariteitenkabinet, met toevoeging van de afstand en nabijheid die inmiddels is ontstaan Nieuw-Guinea exploratie, zending, missie – ‘Onderzoek en overtuiging’: wetenschappelijke ontwikkelingen, technologische voortuitgang en het laatste beschavingsoffensief in een koloniale setting.

4
Tenslotte: Oostwaarts! is een noemer die de vier tentoonstellingen van de eerste etage samenpakt. Het koloniaal verleden is slechts een aspect van de relaties tussen Nederland en de Aziatische culturen. Het is uiteraard niet zo dat deze culturen en hun geschiedenis pas begonnen met het kolonialisme en evenmin werden ze vanaf 1600 daardoor volledig bepaald. In de drie andere tentoonstellingen staan de objecten uit deze lange cultuurgeschiedenis centraal. Alleen door de expliciete vermelding van de collectiegeschiedenis van deze stukken maken we daarbij duidelijk dat de meeste objecten ten tijde van het kolonialisme werden verzameld en in die zin een koloniale relatie in zich hebben.

Susan Legêne
Projectleider herinrichting Oostwaarts!



Indonesië / Museologie /

Agenda


De koloniale blik
Over de historische aannames die onze blik op kunst bepalen.

Netwerk


Susan Legêne

Hoogleraar politieke geschiedenis