Over de rol van kunst in een globaliserende samenleving

Framer Framed

Verslag: Van het symposium Colonial Nostalgia

Verslag van het symposium Colonial Noslagia in het Tropenmuseum (17 maart 2011), naar aanleiding van de publicaties Netherlands East Indies at the Tropenmuseum en Oceania at the Tropenmuseum.

Er is geen betere plek voor een symposium met als thema Colonial Nostalgia dan het indrukwekkende gebouw van het Tropenmuseum. Echo’s van een glorieus koloniaal verleden weerklinken tussen de marmeren zuilen en rijke decoraties. Als er ergens koloniale nostalgie heerst dan wel in het Tropentheater, waar het hele gebouw zucht naar een ‘onherroepelijk verloren tijd’ zoals Henk Schulte Nordholt nostalgie uitlegt. En daarmee straalt de architectuur ook uit dat ‘vroeger alles beter was’ ook al weet je dat dit niet waar is, zoals Esther Captain het publiek vertelde tijdens de discussie. Hiermee was het Tropentheater het perfecte decor voor een avond waarin koloniale nostalgie onder de loep werd genomen.

Aanleiding voor de bijeenkomst vormde de lancering van een reeks publicaties over de collectie van het Tropenmuseum. Directeur Lejo Schenk presenteerde met trots de eerste twee boeken van het museum: Netherlands East Indies at the Tropenmuseum (samenstelling Janneke van Dijk en Susan Legêne) en Oceania at the Tropenmuseum (David van Duuren). In beide publicaties wordt aandacht geschonken aan de collectie binnen het Tropenmuseum, de context waarin de collectie is verzameld en de geschiedenis van het museum zelf. De boeken dragen bij aan het verspreiden van kennis over het museum, maar ook aan het doorgeven van kennis van de experts binnen het museum zelf. Schenk merkte terecht op dat boeken, naast andere museale activiteiten, een belangrijke manier zijn om erfgoed te delen.

Het andere doel van het symposium werd toegelicht door Wayne Modest, hoofd museale zaken, die in het Engels de discussie over het museum breder trok dan alleen de boekpresentaties. Hij hoopte op een prikkelende discussie waarin met kritische blik de collecties en de post-koloniale processen van een nostalgisch verleden worden besproken. Hij sprak de hoop uit dat deze en opvolgende bijeenkomsten zullen bijdragen aan het positioneren van het Tropenmuseum in de 21ste eeuw. De publicaties van het Tropenmuseum gaan in op de rol van het Tropenmuseum in het verleden. Een zoektocht naar de relevantie van deze geschiedenis in het heden, bepalen de rol die het museum in de toekomst wil spelen. Wayne Modest nodigde het publiek uit actief deel te nemen aan het debat en zich bewust te zijn van de rol die het verleden daarin speelt.

De boeken Netherlands East Indies at the Tropenmuseum en Oceania at the Tropenmuseum werden gepresenteerd door de auteurs; beiden oud-medewerker van het museum. Met veel liefde voor hun vak gaven zij een kijkje in de boeken en in het rijke verleden van het museum.

Janneke van Dijk beet de spits af. Als voormalig conservator van de fotografische collecties begon zij met een beeld waarop de relatie tussen de gekoloniseerde en kolonisator sprekend wordt weergegeven. Met de invoering van digitale documentatietechnieken ontstond de mogelijkheid om nieuwe relaties te leggen tussen verschillende de ethnografische collecties van het museum. Er ontstonden nieuwe inzichten en categorieën, waaronder de categorie ‘koloniale collecties’. De link tussen het koloniale gebouw en de collecties waren door de opvattingen in de jaren ’70, ’80 en ’90 uit het oog verdwenen. De ethnologische voorwerpen werden opgeruimd en het museum werd zoals Henk Schulte Nordholt het omschreef ‘een ingang naar de derde wereld’. Met de hernieuwde interesse in de eigen collectie wordt er weer gekeken naar de context van het voorwerp. Daarbij vertellen de voorwerpen allerlei verhalen; over de maker en gebruiker en over de verzamelaar en de presentatiegeschidenis. De objecten in de koloniale collectie vertellen hun eigen verhaal, maar belichten ook de koloniale geschiedenis van het Tropenmuseum. Dit liet Janneke van Dijk zien door oude beelden van Nederlands-Indië te tonen. In haar boek zullen veel verschillende verhalen al aan bod komen maar zoals zij terecht zei: ‘Er liggen nog heel veel voorwerpen te wachten op een mooi verhaal’. Het boek Netherlands East Indies at the Tropenmuseum toont de noodzaak om te blijven onderzoeken en vertellen.

Hierna presenteerde David van Duuren opgetogen en trots zijn boek Oceania at the Tropenmuseum. De Oceanië collectie is er één van mondiaal belang. Met prachtige foto’s schetste David van Duuren een beeld van de eerste expedities om de eeuwige sneeuwtoppen te vinden in onherbergzaam Papoea Nieuw Guinea. De eerste verzamelde vondsten van mens en dier kwamen in de Artis collectie terecht, die later werd toegevoegd aan het Koloniaal Museum. De ontwikkeling van de Oceanië collectie is er één van excentrieke verzamelaars, die een fascinatie ontwikkelden voor dat gebied en uiteindelijk besloten om na hun dood hun collectie te schenken aan het Tropenmuseum. Het boek Oceania at the Tropenmuseum vertelt over de ontstaansgeschiedenis van de collectie, maar ook over de koloniale omstandigheden waarin werd verzameld. Aan de hand van portretten van de verschillende verzamelaars zien we langzaam de tijden veranderen. Een van de grondleggers van de collectie was Sir Wellcome, een Britse verzamelaar die rijk werd door verkoop van medicijnen in de eerste wereldoorlog. Georg Tillmann liet zijn verzameling achter in het Tropenmuseum toen hij naar Engeland vluchtte ten tijde van de tweede wereldoorlog. Ook de collecties van Gijs Oudshoorn en Paul Wirz kwamen in het Tropenmuseum terecht. Door een tip van een pater zijn de schilderijen van de Belgische missionaris Petrus Vertenten aan de collectie toegevoegd. De Oceanië collectie zelf heeft al zo’n fascinerend verhaal, dat er nu al moet worden uitgekeken naar de volgende boeken en de bijbehorende fantastische geschiedenissen. Wervende woorden om vooral deze boeken aan te schaffen.

Na de pauze werd de belofte van Wayne Modest ingelost en gaven Henk Schulte Nordholt, Pamela Pattynama en Susan Legêne verschillende visies op het begrip Colonial Nostalgia. Onder leiding van Esther Captain stond de vraag centraal waarom het verleden soms mooier lijkt dan het heden, terwijl iedereen weet dat dit vertekend is. In dat opzicht constateerde Henk Schulte Nordholt, hoofd van de afdeling Onderzoek bij het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) en Hoogleraar Zuidoost Azië Studies bij de Vrije Universiteit in Amsterdam, dat ook Indonesië groepen jongeren teruggrijpen op een nostalgische versie van het koloniaal verleden. Met verkleedpartijen, koloniaal design en erfgoedwandelingen wordt in carnavaleske parades teruggekeken op een problematische historische periode. Mogelijk is dit een reactie op het éénzijdige historische onderwijs dat jongeren krijgen in Indonesië, maar de vraag is of het afzetten tegen een heersend historisch verhaal nostalgie kan worden genoemd. Schulte Nordholt noemt het nostalgia-light. Het is een interessante ontwikkeling in Indonesië, die paralel loopt aan het zelfonderzoek dat in Nederland opgang lijkt te komen.

Na Schulte Nordholts vrolijke verhaal over nostalgia-light gingen zowel Pamela Pattynama als Susan Legêne in op de meerduidigheid van nostalgisch denken. Pamela Pattynama, bijzonder hoogleraar Indische literatuur en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam, focuste daarbij op postkoloniale nostalgie, waarbij zij benadrukte dat nostalgie een doel kan dienen bij het vormen van een herinneringsgemeenschap. Zij nam daarbij de Indische gemeenschap in Nederland als voorbeeld en de verschillende opvattingen binnen die gemeenschap over nostalgische herinneringen. Nostalgie is vol van tegenstrijdigheden en meerduidigheid, of zoals zij zelf opmerkte: ‘Het gevaar zit ‘m in het venijn van de geschiedenis’. Waar postkoloniale nostalgie gaat over het geven van een plek aan het verleden en je om als groep te herpositioneren tegenover de huidige samenleving, sprak Susan Legêne over de wens om het verleden voort te zetten; neokoloniale nostalgie.

Susan Legêne, hoogleraar politieke geschiedenis aan de Vrije Universiteit, behandelde in haar presentatie de receptiegeschiedenis van de tentoonstelling Oostwaarts! Kunst, cultuur & kolonialisme die sinds 2003 in het Tropenmuseum is te zien. Volgens recensenten was de tentoonstelling te esthetisch vormgegeven om alle aspecten van het koloniaal verleden te kunnen communiceren. Legêne merkte hierover op ‘te mooi’ geen inhoudelijk argument is; het betekent eigenlijk dat het verhaal niet goed wordt gevonden. In het geval van Oostwaarts! zou de kritiek zich moeten richten op inhoudelijke keuzes die zijn gemaakt om de periode van koloniaal Nederlands-Indië te behandelen. Hoewel de tentoonstelling probeert de bezoeker een eigen verhaal te laten vormen over een voorbij verleden wordt de koloniale tijd vaak niet als voorbij ervaren. Terwijl nostalgie lijkt te gaan over een verlangen naar een tijd die is geweest, zijn de emoties en herinneringen zeker niet voorbij en beïnvloeden zij de hedendaagse ervaren van de verleden tijd. Met de term neokoloniale nostalgie wil Legêne aangeven dat zowel de tentoonstelling als koloniale nostalgie lijken te gaan over een afgesloten verleden, zij eigenlijk benadrukken hoe het heden wordt gevormd door het verleden en vice versa. Het is onmogelijk om het koloniale verleden te presenteren als objectieve ‘verleden tijd’. Hiermee waarschuwde Susan Legêne voor neokoloniale nostalgie, zowel in de tentoonstelling als in het algemeen; de wens om het verleden voort te zetten in bepaalde vorm. De gevoelens die daarin een rol spelen, kunnen nostalgie omvormen tot een racistische dekmantel.

De drie wetenschappers waarschuwden ieder op hun eigen wijze op de subjectieve kant van nostalgie; als krachtig middel waarmee jongeren in Indonesië een tegengeluid laten horen of herinneringsgemeenschappen in Nederland hun identiteit herpositioneren. Maar het kan ook een dubieuze geschiedenis verbloemen in rooskleurige beelden en het verleden reduceren tot ‘pretentieloze eetcultuur’ (Lizzy van Leeuwen). Dat nostalgie nooit vrij van emoties is, bleek tijdens de vragenronde aan het einde van de avond. Een mooie illustratie was de vraag uit het publiek over het bestaan van de omstreden bordjes ‘verboden voor honden en inlanders’, die al dan niet bij zwembaden in Nederlands-Indië stonden. Het punt is niet te bewijzen dat de bordjes wel of niet hebben bestaan, zo stelde Schulte Nordholt. Veel interessanter is het om de kracht te tonen van een (negatieve) nostalgische herinnering aan de hand van de verhalen die rondom de bordjes in stand worden gehouden. Het toont aan dat koloniale nostalgie subjectief is, dat herinneringen worden betwist en veranderd en dat historie en nostalgie door elkaar lopen. Nostalgie kan niet worden genegeerd omwille van objectiviteit; in het postkoloniale proces waarin het Tropenmuseum zich bevindt, zal het museum de dialoog moeten aangaan met koloniale nostalgie in al haar verschijningen. De boekenreeks is een ontwikkeling van het museum om de geschiedenis van de koloniale collecties te verkennen en te presenteren. Een symposium als deze geeft ruimte voor discussie over deze geschiedenis en de receptie ervan. Bewustzijn van koloniale nostalgie zal het museum helpen een nieuwe positie in de 21ste eeuw in te nemen. De vragen uit het publiek tonen dat deze zoektocht niet alleen zal plaatsvinden in een academische, objectieve ruimte, maar in een dialoog waarbij nostalgie en geschiedenis elkaar dicht zullen raken en soms overlappen.

Verslag Rosalie Hans


Koloniale geschiedenis / Museologie /

Magazine