Over de rol van kunst in een globaliserende samenleving

Framer Framed

Artikel: De levensloop van een ideaal. Over de genderpolitiek van de kraakbeweging en het broedplaatsen beleid van de gemeente Amsterdam

In de vernieuwing van de naoorlogse stedelijke cultuur heeft de kraakbeweging een belangrijke rol gespeeld. Begin jaren tachtig maakte de beweging een enorme groei door. De kraakbeweging, die werkgelegenheid binnen de eigen kring voorstond, bood een antwoord op de werkloosheidsproblematiek van die periode. Met haar leefwijze stond de beweging voor een politisering van de persoonlijke relaties. Het ging erom de eigen politiek in het hier en nu te verwezenlijken. Door de functiemenging binnen de gekraakte woonwerkpanden zwengelde de beweging opnieuw discussies aan over de scheiding tussen privé en publiek, arbeid en zorg, betaalde en onbetaalde arbeid. De genderpolitiek van de kraakbeweging was een bron van maatschappelijke vernieuwing.
Eind jaren negentig kwam de kraakcultuur inAmsterdam onder druk te staan omdat de gemeente de IJ-oevers verder wilde ontwikkelen. Verschillende ontruimingsgolven volgden elkaar in snel tempo op. Tegelijk ontstond er een brede maatschappelijke discussie over de rol van subculturen in de stedelijke economie. Delen van de kraakbeweging begonnen een onderhandelingsproces met de gemeente, om de ontruimingen een halt toe te roepen. Gesteund door internationale ontwikkelingen ten aanzien van het denken over de inrichting van de stad, wisten zij een omslag bij de overheid te bewerkstelligen. Uiteindelijk leidde dat tot het broedplaatsbeleid van de gemeente.

In dit artikel analyseer ik het onderhandelingsproces tussen de kraakbeweging en de gemeente Amsterdam. De nadruk ligt op de vraag of en hoe de genderpolitiek van de kraakbeweging zich in een onderhandelingsproces met een andere ‘partij’ handhaafde. Wat gebeurde er met de genderpolitiek van de kraakbeweging in de confrontatie tussen gemeente en krakers bij het tot stand brengen van het broedplaatsbeleid en hoe werd dat zichtbaar tijdens het onderhandelingsproces met de gemeente? Hoe sterk gelden de principes van de persoonlijke politiek als argument wanneer de beweging met de gemeente om de tafel zit in het (officiële) politieke proces?
Genderpolitiek definieer ik als ’het geheel van discursieve en niet-discursieve praktijken die een bepaald effect hebben op de machtsverdeling tussen de seksen en culturele definities van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Ik baseer mij hierbij op het discoursbegrip van de Franse filosoof Foucault. In zijn theorie is een ‘discours’ of ‘vertoog’ een ’specifiek samenstel van ideeën, concepten en indelingen, dat wordt geproduceerd, gereproduceerd en getransformeerd in een specifiek geheel van praktijken waardoor betekenis wordt gegeven aan de fysieke en maatschappelijke werkelijkheid.’ (Van der Heijden, 2000, p. 43). Het discours beschrijft de wisselwerking tussen maatschappelijke structuren en het verinnerlijkte denkkader van individuen.
Om een antwoord te formuleren op de vraag hoe de genderpolitiek van de kraakbeweging zich ontwikkelde tijdens het onderhandelingsproces met de gemeente, zal ik afwisselend de posities van beide actoren beschrijven. In de eerste paragraaf beschrijf ik waar de genderpolitiek van de beweging uit bestond. Hiervoor nam ik diepte-interviews af met bewoners van verschillende woonwerkpanden. Voorts analyseerde ik ruim tien jaargangen van de tijdschriften NN en Ravage, twee belangrijke organen van de beweging. In de tweede paragraaf zal ik kort de context van stedelijke ontwikkeling schetsen waarbinnen de ontstaansgeschiedenis van het broedplaatsbeleid van de gemeente Amsterdam begrepen moet worden. Ik nam hiervoor interviews af met ambtenaren van de afdeling Ruimtelijke Ordening en ik bestudeerde gemeentelijke primaire bronnen, te weten commissie- en gemeenteraadsstukken uit de periode 1998- 20011, en de beleidsstukken die het broedplaatsbeleid betroffen. In de derde paragraaf keer ik terug naar het standpunt van de beweging. Ik beschrijf dit standpunt op basis van interviews met raadsleden en een vertegenwoordiger van de kraakbeweging. In de vierde paragraaf zal ik aan de hand van de methode voor beleidsanalyse van Mossink & Nederland (1993) laten zien dat de in een vroeg stadium gemaakte beleidskeuzes de verdere invulling van het beleid hebben bepaald. De laatste paragraaf laat aan de hand van de eerder genoemde interviews en primaire bronnen zien hoe het genderperspectief binnen de kraakbeweging marginaliseerde.

De persoonlijke politiek van de kraakbeweging
Halverwege de jaren tachtig bleek de kraakbeweging ontvankelijk voor de feministische leuze ‘het persoonlijke is politiek’. Deze leuze van de tweede feministische golf stond voor een politisering van persoonlijke relaties. Die politisering paste bij de anarchistische ideologie van autonomie en ‘brede politiek’. De politiek en het politieke subject moesten ook zelf ter discussie worden gesteld. Het ‘persoonlijke is politiek’ betekende in de eerste plaats de politisering van persoonlijke relaties. Het ‘persoonlijke is politiek’ brak ook de traditionele methode van onderzoek open en bracht begrippen als ‘ervaring’, ‘het persoonlijke’ en ‘bewustzijn’ in als bron van kennis over de sociale werkelijkheid (De Vries, 1987, p.31). Het bewustzijn dat vrouwen hadden opgedaan in de vrouwenbeweging en in de uitgebreide stedelijke subcultuur bood vrouwen de mogelijkheid uit te vinden waar zij goed in waren. Vrouwenkraakacties, vrouwenpanden, vrouwenkluscollectieven en vrouwenavonden waren het resultaat. Er ontstond zelfs een feministisch taalgebruik, waarbij de mannelijke en vrouwelijke uitgangen werden gecombineerd. Er werd bijvoorbeeld gesproken van ‘krakerster’. De ‘genderpolitiek’ van de beweging stond voor het streven naar een feministische samenleving vrij van seksisme, waarin ruimte was voor feministische ideeën over gelijke taakverdeling tussen mannen en vrouwen.
Het ideaal van een gelijke taakverdeling tussen de seksen kwam vooral tot uiting in woongroepen waarin het traditionele gezin ter discussie gesteld werd. De gebruikers van woonwerkgemeenschappen gaven aan de nieuwe ruimtes de naam ‘vrijplaats’ om de alternatieve levensinvulling te benadrukken. Deze nieuwe vormen van samenleven boden de mogelijkheid om ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ eigenschappen los te koppelen van mannen en vrouwen. Woongroepen en leefgemeenschappen probeerden over het algemeen de huishoudelijke taken gelijk over mannen en vrouwen te verdelen. Vaak hadden woonwerkpanden ook een crèche, restaurant, gereedschapsuitleen, theater of kinderboerderij, bedoeld voor gebruikers van het pand en bewoners uit de buurt (Duivenvoorden, 2000, pp. 252-253). De beweging zwengelde met haar leefwijze opnieuw discussies aan over de scheiding tussen privé en publiek, arbeid en zorg, betaalde en onbetaalde arbeid.
Deze pogingen om deze voor feministen zo belangrijke kwesties te doordenken, was een kenmerkend onderdeel van een nieuwe protestcultuur. Actievoerders in de protestbeweging van de jaren negentig onderscheidden zich van de zogenaamde ‘nieuwe sociale bewegingen’ uit de jaren zeventig. In de jaren negentig was het mogelijk in meerdere actiegroepen tegelijk actief te zijn en affiniteit te hebben met verschillende politieke strijdpunten. Perma-nente en op vaste identiteiten gebaseerde toewijding was niet meer vanzelfsprekend. Centraal stond de verantwoordelijkheid van het individu voor zichzelf en anderen, dit in tegenstelling tot de jaren zeventig toen het collectief richtinggevend was (Poldervaart, 2002b).
Om de sociale bewegingen van de jaren negentig te typeren introduceerde George McKay het begrip ‘Do it Yourself Culture’ (DiY Culture). McKay, zelf betrokkene bij de Engelse punkscene, onderzocht in de jaren tachtig de links-radicale cultuur van binnen uit. Tien jaar later kreeg deze Engelse beweging een brede aanhang, toen kleine actiegroepen als paddestoelen uit de grond schoten. Juist dit decennium was nadrukkelijk het onderwerp van het onderzoek van McKay. Hij ziet de DiY cultuur als een allesomvattende levenswijze, die zich juist daarin onderscheidde van andere sociale bewegingen na de Tweede Wereldoorlog (McKay, 1998). In de jaren tachtig werd in Nederland de term ‘de beweging’ binnen de kraakbeweging geïntroduceerd om aan te geven dat de strijd tegen woningnood niet langer de enige was die deze beweging voerde. (Ziere, 1992) Ik koos ervoor om bij de definiëring van mijn onderzoeksgroep deze overweging van de kraakbeweging mee te laten wegen. De term ‘de beweging’ wordt door Saskia Poldervaart en Freek Kallenberg gehanteerd omdat deze minder dan‘de kraakbeweging’ of ‘de links-radicale beweging’ mensen buitensluit (Kallenberg, 2001, Poldervaart, 2002a). Ik zal eveneens gebruik maken van de term ‘de beweging’ om een netwerk van individuen, groepen, activiteiten, politieke idealen en voorzieningen aan te duiden.
De beweging gebruikte in de jaren negentig steeds vaker het begrip ‘Tijdelijke Autonome Zone’ (TAZ), ontleend aan de titel van het boek Temporary Autonomous Zone van Hakim Bey (1985). In tijdschriften van de beweging zoals NN en Ravage verschenen vanaf 1994 vaak artikelen die onder andere voortbouwden op de ideeën uit het boek. Het boek gaf in de Verenigde Staten de aanzet tot een golf literatuur over deze vrije autonome ruimten en nomadisme. Ideeën over (stads)nomadisme en de speurtocht naar ruimtes die omgevormd kunnen worden tot iets anders, spraken uiteraard tot de verbeelding van de kraakbeweging. De term ‘vrijplaats’ sloot hierop aan en gaf een concrete invulling aan de TAZ. Deze benaming kende de kraakbeweging zelf aan woonwerkpanden toe. ‘Vrijplaatsen worden gekenmerkt door een combinatie van functies in een pand. (…) Functiemenging in vrijplaatsen betekent daarmee een combinatie van woon-, werk- en publieke ruimtes binnen een pand.’ (Breek en De Graad, 2001, pp. 31-32) In vrijplaatsen waren arbeid en de publieke sfeer niet te scheiden van persoonlijke relaties en de privé-sfeer. Hoewel de leuze ‘het persoonlijke is politiek’ door de vrouwenbeweging werd geïntroduceerd als kritiek op de bestaande verhoudingen tussen de seksen, kreeg de leuze binnen de kraakbeweging meerdere betekenissen. Met betrekking tot gender was de invulling tweeledig. Enerzijds werd seksegelijkheid en het omverwerpen van de traditionele sekseverhoudingen nagestreefd. Anderzijds werd de leuze opgevat als het nastreven van een ‘leefexperiment’ in bredere zin dan sekseverhoudingen alleen, waarbij eerder geduid werd op de voorwaarden voor ‘anders leven’. Het streven naar een zo autonoom mogelijke levensinvulling viel dus gedeeltelijk samen met het feministisch project.

Het gemeentelijke broedplaatsbeleid
Vrijplaatsen ontwikkelden zich als context voor een nieuwe kunstzinnige subcultuur die deel uitmaakte van de grootstedelijke ontwikkelingen in het globaliseringstijdperk. Het gemeentelijke broedplaatsbeleid was een antwoord op die ontwikkelingen. Begin jaren negentig publiceerde de stadssociologe Saskia Sassen een onderzoek naar veranderingen in New York, Londen en Tokyo als gevolg van verschillende processen, die wel onder de noemer globalisering werden samengevat: veranderingen in de internationale economie, de spreiding van productie, de internationalisering van het bedrijfsleven en een afname van de invloed van de natiestaat. In haar publicatie The Global City (1991) stelde zij vast dat er sprake is van een nieuwe grootstedelijke hiërarchie. De nieuwe klasse van bovenmodale werknemers ging een belangrijke economische rol spelen in de stedelijke ontwikkeling. Deze groep liet zich sterk beïnvloeden door het gedrag van kunstenaars, de ‘creatieve klasse’. Sassen beschrijft het proces van ‘gentrification’ in de grote steden: kunstenaars konden de hoge huren in de binnenstad niet meer betalen. Zij gingen noodgedwongen in goedkope winkel- en fabriekspanden wonen. Zodra kunstenaars naar een ander stadsdeel trokken, ontstonden daar nieuwe culturele en economische activiteiten. De buurt werd opgeknapt en de prijzen van onroerend goed stegen. Zo werden ook bovenmodale werknemers gestimuleerd om er te gaan wonen (Sassen, 1991, p. 337). Dit maakte de ‘creatieve klasse’ een economisch interessante groep voor de stad.
Hetzelfde proces speelde zich in Amsterdam af. Vanaf halverwege de jaren negentig volgden ontruimingsgolven van kraakpanden elkaar in hoog tempo op. Vooral rond de IJ-oevers waar alternatieve leefvormen en culturele initiatieven werden ontwikkeld. Op plaatsen waar eerst alleen krakers wilden wonen, werden nieuwe appartementencomplexen gebouwd voor bovenmodale werknemers. Er ontstond wat ik een economisering van de subcultuur wil noemen, die bijdroeg aan een breed politiek en maatschappelijk draagvlak voor het beleid.2 De problematiek sprak verschillende politieke sympathieën aan en kon binnen de gemeenteraad rekenen op een brede steun. Groen Links en Amsterdam Anders/De Groenen vonden het belangrijk dat kunstenaars en politiek geëngageerde mensen, die ervoor kozen in de marge van de stad te leven, niet weggedrukt zouden worden door de macht van het geld. Veel van de grote loodsen en industriepanden werden immers dure appartementen voor goedverdienende dertigers. De VVD vond het belangrijk dat burgers zelf verantwoordelijkheid droegen voor hun leefomgeving. Zij ondersteunden het startende ondernemerschap van kunstenaars en ambachtslieden. Christen- en sociaaldemocraten vonden elkaar op de buurtvoorzieningen en burgerlijke verantwoordelijkheid van de bewoners. Restaurantjes, bioscopen, culturele podia of een sauna droegen bij aan de ontwikkeling en de sociale cohesie van een buurt. In november 1999 kwam het zogenaamde ‘Rapport Davies’ uit. De Deense socioloog werd door de Wethouder Kunst en Cultuur in Amsterdam uitgenodigd om de stad op cultureel-sociologisch gebied door te lichten. Het rapport paste in het straatje van het broedplaatsbeleid omdat het de stad roemde om haar alternatieve culturele plekken. Voorstanders van het behoud van vrijplaatsen in de stad zagen zich gesteund door het rapport. Veel prominente Amsterdammers voerden campagne tegen het besluit van de gemeente om de aan de IJ-oever gelegen alternatieve initiatieven te laten wijken voor de uitbreiding van de binnenstad.3
Om de ontruimingen een halt toe te roepen verenigde zich een twaalftal woonwerkpanden in het Gilde van Werkpanden aan het IJ. De gemeente ontving onder meer vanuit dit initiatief een raadsadres om ontruimingen van kraakpanden in de stad een halt toe te roepen. De argumentaties in ‘Rapport Davies’ konden rekenen op gemeentelijke sympathie. De brede maatschappelijke en politieke steun leidden in de zomer van 1999 tot de startnotitie van het gemeentelijke broedplaatsbeleid met de titel ‘Een complete stad swingt’ (1999). Het subsidiëren van goedkope atelierruimte en het creëren van een goed vestigingsklimaat voor jonge ondernemers werd het beleidsdoel. In het plan van aanpak ‘Geen cultuur zonder subcultuur’ (april 2000) werden de belangrijkste doelstellingen van de projectgroep vastgesteld. Deze projectgroep kreeg (omgerekend) een bedrag van € 40.9 miljoen tot haar beschikking om op korte en middellange termijn 1400 tot 2000 ateliers en werkplekken te realiseren, die tegen een gereduceerde huur aan culturele initiatieven verhuurd konden worden.

De beweging onderhandelt met de gemeente
De onderhandelingen met de gemeente richtten zich op de publieke sfeer. Carolien Feldbrugge, oprichtster van Het Gilde van Werkpanden aan het IJ, was een van de personen die daarbinnen de beweging vertegenwoordigde. Feldbrugge schetst een situatie van weinig bewegingsruimte tijdens de onderhandelingen. Zij veronderstelde op basis van eerdere gesprekken met de gemeente dat het ‘persoonlijke’ niet in de plannen van de overheid zou passen. Op grond daarvan besloot zij bepaalde argumenten niet te gebruiken, omdat ze hoogstwaarschijnlijk niet zouden aanslaan. ’Maar wat denk je als je uit het perspectief van kunstenaars en die culturele ondernemers stapt (…) Dan schrikt de gevestigde orde zich kapot. Zij willen dat het in een kader geplaatst wordt. Dus dan doen we dat.’ (Feldbrugge, interview, 6 juni 2002) De woordvoerders veronderstelden de meeste kans te maken met argumenten die pasten in het idee over de ‘culturele industrie’.
De lokale politieke partij Amsterdam Anders/De Groenen trad binnen de gemeenteraad vaak op als politieke spreekbuis van de beweging. Volgens het raadslid Kalt was de ‘genderpolitiek’ belangrijk om te behouden. Vrijplaatsen waren van groot belang voor de discussie over het traditionele gezin met de daarin geldende rolpatronen. ’Vrijplaatsen bieden een alternatieve cultuur waarbinnen meer ruimte is voor vrouwen om hun stem te laten gelden, waar op een andere manier met elkaar kan worden samengeleefd en waarbinnen mensen op een andere manier met het huishouden, de kinderen en opvoeding kunnen omgaan.’ (Kalt, interview, 6 juni 2002) Bij de onderhandelingen met de gemeente was er sprake van een fundamenteel machtsverschil. Reden voor delen van de beweging niet deel te nemen aan de onderhandelingen. (Kalt, interview, 6 juni 2002) Zij stelt dat de beweging in een ‘underdog’-positie werd gemanoeuvreerd waarin geen ruimte meer was voor eigen argumenten, en dat de beweging werd gedwongen argumenten te hanteren die bij de overheid in de smaak vielen. Zowel Feldbrugge als Kalt concluderen in hun analyse van de onderhandelingen dat de beweging werd gedwongen zich aan te passen aan het denkkader van de gemeente. In hoeverre was de overheid debet aan het feit dat de oude idealen van de kraakbeweging ten aanzien van gelijkheid tussen de seksen zo weinig kansen kregen tijdens de onderhandeling?

Gemeente schept genderneutrale kaders
De politicologen Marijke Mossink en Trudi Nederland lieten in hun onderzoek Beeldvorming in beleid. Een analyse van vrouwelijkheid en mannelijkheid in beleidsstukken van de rijksoverheid (1993) zien dat ook de Nederlandse overheid als beleidsmaker niet weet te ontsnappen aan traditionele opvattingen over gedragingen en eigenschappen die aan mannen en vrouwen worden toegeschreven. Mossink & Nederland introduceren een methode voor onderzoek naar de rol van genderbeleid. Dergelijk onderzoek biedt de mogelijkheid processen van betekenisgeving door de overheid bloot te leggen.
Het algemeen gebruik van de mannelijke norm, geeft het beleid de schijn ‘genderneutraal’ te zijn: ‘Beleidsteksten wekken bij elkaar de indruk dat ons land bevolkt wordt door boeren, burgers en buitenlui en voorts uit één sekse. Mannen als zodanig, als seksecategorie, komen eigenlijk bijna niet voor. Vrouwen daarentegen (…) worden alleen in het licht van gender beschouwd. Ze worden als het ware met huid en haar, met al hun onderlinge verschillen opgeslokt door hun sekse.’ (Mossink & Nederland 1993, p. 129) Wanneer het ‘normale’ of de ‘norm’ wordt gevormd door de positie van mannen is er geen sprake van neutraliteit. De ervaringen op basis van een mannelijke rol in de maatschappij zijn namelijk, net als de positie van vrouwen, ‘genderspecifiek’. Deze rollen hangen samen met de culturele posities die mannen en vrouwen in de maatschappij vervullen. Voor vrouwen levert het een probleem op wanneer de mannelijke rol de norm voor het beleid bepaalt. Dan volgt hieruit dat vrouwen alleen in beleid voorkomen als zij expliciet tot doelgroep worden gemaakt. Vaak gebeurt dat in termen van ‘achterstand’. (Mossink & Nederland, 1993, p. 121)
Zoals eerder gesteld onderzocht ik in het verlengde van deze bevindingen de totstandkoming van het broedplaatsbeleid. Daarvoor werden betrokkenen geïnterviewd, en raadsverslagen, nota’s en beleidsstukken bestudeerd om na te gaan in hoeverre gender daarin een rol speelde. Ik bekeek hoe de overheid de genderpolitiek van de beweging in beleid vertaalde, waardoor de aannames inzichtelijk werden.
De overheid bestempelde het broedplaatsbeleid vanaf het allereerste ontwerpstadium als een beleidsprobleem waar gender niet aan te pas kwam, dus ‘genderneutraal’. In de eerste fase werd een selectie van politieke problemen gemaakt waarvoor een oplossing gevonden moest worden. Op dat moment waren vooronderstellingen over gedragingen en eigenschappen van vrouwen en mannen al aanwezig. Dat maakte het ontwerpstadium een belangrijk moment in de reproductie van de bestaandegenderverhoudingen (Mossink & Nederland, 1993, p. 127). Zo werd het broedplaatsbeleid ondergebracht bij de Commissie Volkshuisvesting, Stadsvernieuwing, Ruimtelijke Ordening en Grond: een beleidsterrein dat niet vanzelfsprekend met gender wordt geassocieerd. Het beleidsterrein an sich werd als genderneutraal beschouwd. Deze commissie veronderstelde een genderneutrale burger. Er werd geen aandacht besteed aan het feit dat vooronderstellingen over gedragingen en eigenschappen van mannen en vrouwen als vanzelfsprekend aanwezig waren bij het vaststellen van datgene waarvoor het beleid een oplossing moest vinden.
Mossink en Nederland lieten in hun onderzoek zien, dat reproductie van stereotypen over gender vaak samenhangt met het beleidsterrein waartoe iets wordt gerekend. Het broedplaatsbeleid werd eveneens gezien als genderneutraal en ondergebracht bij de Commissie Volkshuisvesting, stadsvernieuwing, Ruimtelijke Ordening en Grond. Het allereerste ontwerpstadium was de fase waarin de kaders werden vastgesteld die de argumenten bepaalden en de grenzen vastlegden waarbinnen de latere discussie met de beweging plaats kon vinden. Er werd voorbij gegaan aan de idealen en concrete leefwijze van de beweging, waarbinnen gender en vooronderstellingen over mannelijk en vrouwelijk gedrag ter discussie werden gesteld. Het gemeentelijke beleid was echter niet de enige sturende factor in het verdwijnen van gender. Ook de beweging liet na gender op de agenda te plaatsen.

Hoe de feministische politiek marginaliseert in de kraakbeweging
De kraakbeweging creëerde een sfeer waarin meer ruimte was voor leefexperimenten. Uit interviews met bewoners van vrijplaatsen zelf kwam naar voren dat de taakverdeling weliswaar niet gelijk verdeeld, maar wel beter was dan in ‘de gewone wereld’.5 Zoals eerder opgemerkt sprak men onderling over het belang van gelijke sekseverhoudingen, het doorbreken van traditionele rolpatronen en het opheffen van de scheiding tussen publiek en privé. Bewoners van vrijplaatsen beschouwden de eigen woongroep daarbij als eerste in de politieke keten. Binnen deze kleine samenleving bleken vele idealen wel degelijk verwezenlijkt te worden, die in de grote samenleving onmogelijk leken. Er werd positieve actie toegepast bij nieuwe bewoners van de leefgemeenschappen en woongroepen. Hierdoor was de manvrouwverdeling bij de panden ongeveer gelijk. Niemand bekritiseerde een vrouw die een lasapparaat ter hand nam of een man die in de volkskeuken kookte. Veel mensen woonden én werkten in hetzelfde gebouw (of terrein), waardoor publiek en privé niet duidelijk van elkaar gescheiden werden.
Met de overgang van vrijplaats naar broedplaats, waarbij de nadruk verschoof van leefexperiment naar cultureel ondernemerschap, verdween ook de politiek van het persoonlijke leven naar de achtergrond. Hoezeer het kader voor dit proces ook door overheidsbeleid was ingegeven, het verdwijnen van de persoonlijke politiek was een proces dat al zelfstandig binnen de beweging gaande was.
In de actietijdschriften bleek bijvoorbeeld hoe de veranderingsdrang met betrekking tot de omgangsvormen tussen de seksen gedurende de onderzoeksperiode afnam.6 Er veranderde iets in de wijze waarop de discussies over gender binnen de beweging werden gevoerd. Waar de strijdbare oplossing van seksisme in 1990 nog werd gevonden in de verandering van omgangsvormen, heerste later de berustende veronderstelling dat er geen probleem bestond. De politiek correcte wijze waarop eerder met seksisme werd omgegaan, werd later als dwingend en lastig ervaren. Tevens liep het aantal artikelen over de genderpolitiek terug.7 Zowel naar buiten toe als intern bleek de beweging niet volledig in staat traditionele rolpatronen te doorbreken. Zo viel het woordvoerderschap naar pers, politie en overheid tijdens de periode van onderzoek vooral onder de verantwoordelijkheid van mannen. Ondanks de huishoudroosters, bleven vrouwen intern meer de zorgtaken en huishoudelijke klussen verrichten. Dit terwijl de bouwklussen en reparaties vooral door mannen werden uitgevoerd.

“Deuren openbreken, om maar eens een ‘core business’ van de kraakbeweging te noemen, is voor 95% mannenwerk. En echt niet alleen omdat je zware kerels nodig hebt om een stormram te hanteren, die gebruiken we bijna nooit. Het kan in verreweg de meeste gevallen net zo goed door vrouwen gebeuren, maar die zijn er minder. Er wordt wel heel vaak naar gezocht en er worden bewust workshops en cursussen gegeven om daar meer mensen bij te betrekken. Dan willen heel veel vrouwen het doen en dan doen ze het twee keer en daarna nooit meer. Waar dat aan ligt? Ja, ik weet het niet. Ik zit hier om huizen te kraken en niet om vrouwen te emanciperen.” 8

De geïnterviewde vrouwen bekritiseerden de veronderstelling dat de intentie om de verhoudingen te veranderen genoeg was. De discussie over wie wat doet was vaak in feite een ‘luxediscussie’ waar, bij een overvloed aan ‘urgentere’ kwesties, zelden meer tijd voor wordt gemaakt. Waarschijnlijk omdat in de huisvergaderingen de boventoon meestal werd gevoerd door mannen. Maar dat de beweging geen of onvoldoende alternatieven kon bieden ten opzichte van de ‘gewone maatschappij’ en zelf ook ongelijke verhoudingen reproduceerde, frustreerde de geïnterviewde mensen binnen de beweging wel degelijk.
Uit het onderzoek van NN en Ravage bleek dat de beweging er onvoldoende in slaagde ongelijke man-vrouwverhoudingen op te heffen en deze zelfs reproduceerde. Dat had zijn weerslag in de onderhandelingen met de gemeente. De beweging bleek niet in staat het belang van het leefexperiment en gelijke sekseverhoudingen op de politieke agenda te zetten.

Genderpolitiek tussen wal en schip
Een analyse van het broedplaatsbeleid maakte duidelijk dat gender nooit tot de onderhandelingstafel heeft weten door te dringen. De genderpolitiek van de kraakbeweging kreeg geen gehoor. Het broedplaatsbeleid toonde de consequenties van ongegenderd politiek denken. Scheidingen die de beweging pleegde op te heffen, leken sluipenderwijs opnieuw in het beleid te worden aangebracht, waarbij de benadrukking van het publieke domein en het ondernemerschap de politiek van het persoonlijke deed verdwijnen. Het kader dat de gemeente schiep door zich in het eerste beleidsstadium in genderneutrale termen uit te drukken, bepaalde de grenzen van de discussie. Vervolgens bleef het persoonlijke buiten beschouwing. De beweging anticipeerde op het denkkader van de overheid, veronderstellend dat de gemeente geen begrip voor het alternatieve discours van de beweging kon opbrengen.
Een dergelijke overeenkomst in argumenten vormt een ‘discourscoalitie’. (Hajer, 1989) De gemeente maakte een ‘gebaar’ door een specifiek beleid te introduceren, om althans formeel de beweging daarbij te betrekken. Dit ging in tegen alle verwachtingen van de beweging, die vooral conflict en strijd met de overheid kende. Een aantal mensen zag het beleid als een erkenning van de subcultuur die in de panden bestond. Een deel van de beweging werd bij de onderhandelingen betrokken. De woordvoerders ondervonden in de onderhandelingen welke argumenten wel en welke niet aansloegen bij de overheid. Daaropvolgend handhaafden zij de meest gewilde argumenten, die kunstenaars en cultureel ondernemers betroffen. Aanvullende argumentatie en kritiek werden naar de achtergrond gedwongen. Specifieke problemen traden naar de voorgrond, terwijl voor andere geen plaats was.
Concluderend zien we dat de discourscoalitie tussen gemeentelijke overheid en beweging een zeer belangrijke eigenschap van de vrijplaats buitensloot. De veranderingsgezinde genderpolitiek verdween uit de ‘verhalen’ van beide door een complexe samenhang van negatieve voorwaarden. Met mijn analyse heb ik de politieke lading en sociale effecten van de totstandkoming van dit beleid willen laten zien. Alleen wanneer processen van betekenisgeving tegen het licht worden gehouden, kunnen traditionele genderverhoudingen en stereotype rollen worden tegen gegaan.

Josien Pieterse
Dit artikel verscheen eerder in het Tijdschrift voor genderstudies, Vol. 8, nr. 3 (2005)

Noten
1. Commissiestukken Volkshuisvesting, Stadsvernieuwing, Ruimtelijke Ordening en Grond en de commissiestukken Bouwen, Wonen en Economie Binnenstad.

2. ‘It turns out that culture jamming – with its combination of hip-hop attitude, punk antiauthoritarianism and a well of visual gimmicks – has great sales potential’. (Klein, 2000, p. 297) Zie ook: Pleij, 7 juli 2001, pp. 13-15.

3. Het gemeentebestuur werd onder druk gezet door de publieke opinie. Er werd een paginagrote advertentie geplaatst in de door gemeenteambtenaren veelgelezen krant Het Parool. De advertentie werd ondertekend door vele prominente Amsterdammers ten tijde van de dreigende ontruiming van de Kalenderpanden. Het tijdschrift Vrij Nederland besteedde een uitgebreid artikel aan het fenomeen ‘vrijplaats’ en interviewde bewoners van de Kalenderpanden en de voormalige filmacademie op de Overtoom (OT301). De VPRO-televisie vertoonde in het programma ‘Rooksignalen van De Nieuwe Wereld’ een documentaire over de verdwenen vrijplaatsen Vrieshuis Amerika en de Graansilo: ’De lente is gratis. De autonome krijgers van de nieuwe stad’, 9 mei 1999. Vanuit de beweging ontstond de werkgroep De Vrije Ruimte die vele debatten en bijeenkomsten organiseerde waar ook wetenschappers en ambtenaren werden uitgenodigd.

4. Deze term is afkomstig van Florida, 2002.

5. Zie voor een analyse van interviews met bewoners van vrijplaatsen mijn doctoraalscriptie uit 2004. Ik nam een vijftal uitgebreide interviews af in de periode van 15 juni tot 2 december 2002.

6. Voor mijn onderzoek deed ik een bronnenonderzoek naar ruim tien jaar NN en Ravage in het Staatsarchief, Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Tijdschriften NN jaargangen 1989-1995 en Ravage jaargangen 1996-2002.

7. Zie voor analyses van seksisme in de kraakbeweging ook: Metz, 1998; Van Tricht et al, 1995 en Huijsman, 1989.

8. Citaat van Ivo, bewoner van de Wagenstraat 12, interview vond plaats op 19 november 2002.

Literatuur
Bey, H. (1985). T.A.Z. Temporary Autonomous Zone, Ontological Anarchy, Poetic Terrorism. Brooklyn: Autonomedia.

Breek, P. & F. de Graad (2001). Laat 1000 vrijplaatsen bloeien. Onderzoek naar vrijplaatsen in Amsterdam. Amsterdam: De Vrije Ruimte.

Davies, T. (1999). Amsterdam, comments on a City of Culture. Gemeente Amsterdam: afd. Kunst en Cultuur.

Duivenvoorden, E. (2000). Een voet tussen de deur. Geschiedenis van de kraakbeweging 1964- 1999. Amsterdam / Antwerpen: Arbeiderspers.

Een complete stad swingt. Startnotitie beleidsontwikkeling ateliers en woonwerkpanden (1999). Gemeente Amsterdam: Stedelijke Woningdienst.

Florida, R. (2002). The rise and fall of the creative class. … and how it’s transforming work, leisure, community, & everyday life. New York: Basic Books.

Geen cultuur zonder subcultuur. Plan van aanpak Broedplaats (2000). Projectmanagementbureau Amsterdam i.o.v. de Stedelijke Woningdienst, Gemeente Amsterdam.

Hajer, M. (1989). Discourscoalities in politiek en beleid: De interpretatie van bestuurlijke heroriënteringen in de Amsterdamse gemeentepolitiek. Beleidswetenschap, 3, 242-263.

Heijden , H. A. van der (2000). Tussen aanpassing en verzet. Milieubeweging en milieudiscours. Utrecht: AMBO.

Hoogendoorn, J. (2001). www.cultuur.st@d. Culturele broedplaatsen in Amsterdam. Tijdschrift voor de Volkshuisvesting, 3, 19-23.

Huijsman, C. (1989). Meer mannen, minder mensen of: Nog te vroeg om afscheid te nemen….? De participatie van vrouwen in de kraakbeweging in de periode 1978-1984. Doctoraal scriptie, Universiteit van Amsterdam.

Kallenberg, F. (2001). ‘Desire is speaking. Utopian rhizomes’. In S. Poldervaart, H. Jansen & B.Kesler (Eds.), Contemporary Utopian Struggles. Communities between Modernism and Postmodernism (pp. 91-99). Amsterdam: Aksant.

Klein, N. (2000). No Logo. No Space, No choice, No Jobs. Londen: Flamingo.

McKay, G. (1998). DiY Culture. Party & Protest in Nineties Britain. Londen: Verso.

Metz, J. (1998). Het gekraakte ideaal. Seksisme en omgangsvormen binnen radicaal links. Amsterdam: Ravijn.

Mossink, M. & T. Nederland (1993). Nederland, Beeldvorming in beleid. Een analyse van vrouwelijkheid en mannelijkheid in beleidsstukken van de rijksoverheid. Den Haag: VUGA.

Pleij, S. (2001). ‘Te koop of niet te koop’. De Groene Amsterdammer, 7 juli, 13-15.

Poldervaart, S. (2002a). ‘De meervoudigheid van “het andere”. Multiculturalisme, feminisme en affiniteitenpolitiek van “de” protestbeweging.’ In: Tijdschrift voor Genderstudies, 5, p. 34-47.

Poldervaart, S. (2002b), ‘Utopian Aspects of Social Movements in Postmodern Times. Some Examples of DiY Politics in Holland.’ In: Utopian Studies. Utopian Studies Press, University of Missouri-St. Louis (USA), 2002.

Poppe, I. & S. Rottenberg (2000). De kraakgeneratie. 18 portretten van krakers uit de lichting 1955-1965. Amsterdam: De Balie.

Sassen, S. (1991). The Global City. New York, London, Tokyo. New Jersey: Princeton University Press.

Tricht, J. van (1995). Van Tweede Golf naar Derde Golf? En wat doen mannen eraan? De kraakbeweging langs de feministische meetlat. Een leeronderzoek naar de gemengde seksisme discussie in drie bladen van de kraakbeweging in de periode 1988-1993: NN, Lekker Fris, De Peueraar. Universiteit van Amsterdam: Vakgroep Vrouwenstudies.

Vries, P. de (1987). “Het persoonlijke is politiek” en het ontstaan van de tweede golf in Nederland 1968-1973. Socialisties-Feministiese Teksten 10, 20-32.

Ziere, P (1992). Laat het duidelijk zijn: neem helm, stok en molotovs mee! De ontwikkeling van de kraakbeweging tot radicale beweging., In Van der Heijden, Koopmans, Duijvendak en Wijmans (Eds)., Tussen verbeelding en macht. 25 Jaar sociale bewegingen in Nederland (pp. 141-159). Amsterdam: SUA.

 

 



Gentrificatie / Activisme / Feminisme /

Netwerk


Josien Pieterse

Josien Pieterse

Directeur Framer Framed