Over de rol van kunst in een globaliserende samenleving

Framer Framed

Foto: Rogier Fokke

Van Heutsz door de mal van het heden

Vandaag, 5 mei 2012, staan wij met het uitzicht op het monument aan het Olympiaplein in Amsterdam, dat vroeger aan hem was gewijd, stil bij Van Heutsz en bij het verleden van Nederland als koloniale mogendheid. Maar de vraag is: welk koloniaal verleden? En welke Van Heutsz?

Er is in onze herinneringscultuur een sterke behoefte de geschiedenis te verdelen in wit en zwart, in heiligen en schurken, Anne Frank versus Anton Mussert, Multatuli versus Van Heutsz. Maar zo eenduidig is geschiedenis nooit, ook koloniale geschiedenis niet, ook Van Heutsz niet. Als in 1903 de onderwerping van Atjeh aan het Nederlandse gezag wordt geproclameerd haalt Nederland generaal Joannes Benedictus van Heutsz, de bedwinger van dit opstandige gewest, als nationale held in. Is het de conservatieve burgerij die hem bejubelt? Ook het sociaaldemocratische Kamerlid H. H. van Kol, onvermoeibaar voorvechter van sociale vooruitgang in de koloniën, zwaait Van Heutsz lof toe als ‘pacificator’, de vredestichter, in het opstandige Atjeh.

Onder Van Heutsz’ leiding is dan na drie decennia de Atjehoorlog met succes beëindigd, die tweeduizend Nederlandse militairen, tienduizend Javaanse dwangarbeiders en 35.000 Atjehers het leven heeft gekost, alsmede een bedrag van vijfhonderd miljoen gulden. Uiteraard dient die oorlog het ‘openleggen’ van het gewest voor koloniale exploitatie maar ook het afbakenen van de grenzen van het Nederlandse rijk in Azië. En dat dient het ‘ethisch’ koloniaal beleid, twee jaar eerder door minister-president Abraham Kuyper tot ‘roeping’ van Nederland verklaard, en dat sociaaldemocraten uit het hart is gegrepen. Want daarin klinkt de echo van Multatuli: de ‘opheffing van den inlander’ als ideaal.

Van Heutsz’ militaire succes maakte dat beleid mede mogelijk. Volksopvoeding, gezondheidszorg en welvaartsontwikkeling in de kolonie kunnen immers alleen bevorderd worden als de overheid haar onderdanen met haar maatregelen daadwerkelijk bereikt, dus pas als de gehele Indische archipel ‘onder bestuur’ gebracht is. Ethisch imperialisme kun je het noemen; het klinkt ons als een innerlijke tegenstelling in de oren, maar zijn tijdgenoten niet. Het in 1935 onthulde monument op het Olympiaplein stelt dan ook geen krijger te paard voor, maar een rijzige vrouw als symbool van het weldadig Nederlandse gezag, door Van Heutsz in de Nederlands-Indische eenheidsstaat gegrondvest.

Ook in Indonesië kijkt men zo tegen hem aan. Toen ik te Jakarta in het Nationaal Museum, gelegen op het vroegere Koningsplein, nu Merdekaplein, eens aan Indonesische studenten vroeg of ze wisten wie Van Heutsz was, antwoordden ze tot mijn verbazing prompt: ,,Ja, dat is de man die van ons land een eenheidsstaat gemaakt heeft.’’ En zo is het. Of; zo is het óók.

Dat is moeilijk te aanvaarden voor wie in hem de bad boy bij uitstek van onze koloniale geschiedenis wil blijven zien, de wrede onderdrukker, de koloniale houwdegen. Dat was hij, in zekere zin. Van Heutsz voerde in Atjeh een contraguerrilla door het ‘rusteloos achtervolgen van de vijand’ maar hij deed dat in samenwerking met de eminente Islamkenner Snouck Hurgronje, een vooruitstrevend en verdraagzaam man, die met zijn inzicht in de volkscultuur de inheemse adel voor Nederland probeerde te winnen.

Én: Van Heutsz deed bij zijn militaire campagnes zowel de ‘rode haan’ als de ‘blauwe leugens’ in de ban. Als eerste gezagsdrager verbood hij ‘onder welke omstandigheden ook kampongs, moskeeën of woonhuizen te verbranden’: ,,Zelfs bij militaire excursies in streken die in verzet zijn, mogen alleen verblijven buiten de kampong van bendehoofden en hunne benden verbrand worden.’ En hij hief de vertrouwelijkheid op van de blauw gekafte officiële rapporten over het verloop van de oorlog, die vol leugens stonden.

Door de onderwerping van het gewest vestigden zich er Europese ondernemers maar Van Heutsz toont zich allerminst hun knecht. Als de Koninklijke Petroleum Maatschappij de olie die in Atjeh gewonnen wordt via een 128 kilometer lange pijpleiding in Oost-Sumatra wil laten raffineren, is het Van Heutsz die weigert daarvoor toestemming te geven. Hij eist dat in Atjeh zelf een raffinaderij wordt gebouwd voor de ontwikkeling van het gebied. ,,Daartoe dienen Europeesche nijverheid en landbouw in het land gehaald,’’ schrijft hij. ,,Het gaat toch niet aan, dat de ontwikkeling van het gewest Atjeh opgeofferd zou worden ten bate van een maatschappij, die nu eens bijzonder voordeelig exploiteren wil.’’ Het is een modern, links standpunt: exploitatie van natuurlijke rijkdommen moet ten goede komen aan de bevolking van het gebied waar ze gewonnen worden.

Maar het koloniale gouvernement in Batavia geeft toch vergunning voor die pijpleiding aan te leggen. Van Heutsz hield er een levenslange wrok tegen de oliemaatschappij aan over. Volgens hem moet ‘de Regeering en niet particuliere slampampers de winst opstrijken’. Hij wil Atjeh tot welvaart brengen en ziet woedend hoe de Koninklijke ‘de rijkdommen wegpompt’. Hij is dan ook een van de weinige hoge koloniale gezagsdragers die later geen hoge functie krijgt bij Shell. En in Atjeh geniet hij nu nog ‘groot aanzien’, als bestuurder die meer van de bodemschatten aan het gebied zelf ten goede wilde laten komen dan het onafhankelijke Indonesië later ooit zou doen. En dat wisten die studenten in Jakarta ook, toen ik hen naar Van Heutsz vroeg.

Onderdrukking en vooruitgang, exploitatie en ontwikkeling: ze gaan altijd samen in de koloniale geschiedenis en zijn niet te ontwarren, hangen vaak zelfs met elkaar samen.

Na zijn onderwerping van Atjeh wordt Van Heutsz benoemd tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en voert op grote schaal desa-scholen in voor eenvoudig onderwijs aan de boerenbevolking. Hij schaft de hormat af, het ‘overdreven kruiperig eerbetoon’ aan Europese bestuurders, die door ‘pajongzwaaiers’ tegen de zon beschermd werden. Hij ijvert voor opneming van inheemsen en Indo-Europeanen in het dan nog exclusief Europese bestuursapparaat. Hij verleent vrijdom van port en een renteloze lening aan het eerste nationalistische blad, Bintang Hindia, de Ster van Indië, laat er overheidsvoorlichting in opnemen en sommeert alle bestuursambtenaren propaganda voor het blad te maken. Dat laatste geeft een storm van protest over aantasting van de persvrijheid en hij moet zijn circulaire weer intrekken, maar de intentie is duidelijk: een ethisch koloniaal beleid.

Maar in Nederland wordt hij lange tijd vooral geëerd als de koloniale krachpatser. Het monument alhier wordt (in aanwezigheid van koningin Wilhelmina en kroonprinses Juliana) onthuld twee jaar nadat in 1933 eerder de muiterij op de Zeven Provinciën de natie heeft opgeschrikt en de plechtigheid staat dan ook in het teken van vastberaden koloniaal behoud. Premier Colijn vergelijkt Van Heutsz bij die gelegenheid met Hannibal, Caesar en Alexander de Grote. ,,De les die Colijn de aanwezigen las,’’ meldt een aanwezige, ,,was: bewaar de koloniën ‘met Godes hulp tot in den dood getrouw.’

Na de Tweede Wereldoorlog, tijdens de golf van dekolonisaties kantelt ons beeld van Van Heutsz. In de jaren zestig wordt zijn monument doelwit van aanslagen en ‘ludieke acties’. Bij zijn standbeeld in Coevorden plaatsen provo’s – van wie de jonge Relus ter Beek het nog tot minister van Defensie zal brengen – een bord met de tekst: ‘Ontslapen onder het hakenkruis; gesneuveld bij het uitmoorden van het 39ste Atjehse dorp; bij het verkrachten van de 79ste Atjehse vrouw om het geschokte vertrouwen van het Nederl. Indische bestuur opnieuw te funderen.’ Dat wordt het algemene beeld: de koloniale roverhoofdman. In Amsterdam wordt de plaquette met Van Heutsz’ beeltenis van het monument gesloopt, de haken waarmee deze bevestigd was blijven verroest ter nagedachtenis uit het gesteente steken en later verdwijnt zelfs zijn naam.

Het stadsdeel had recht kunnen doen aan de gecompliceerde koloniale geschiedenis het monument te herstellen en voortaan beide zijden van Van Heutsz en daarmee van ons koloniale verleden te laten zien, maar het kiest ervoor het te herdopen tot Monument Indië-Nederland, waaraan niemand zich een buil aan kan vallen. Er komt een zuiltje bij met de tekst: ,,Innig Nederlands Indië,’ en de jaartallen: 1596, 1935, 1945, 1949, 2001, 2007. Daarmee worden alle kolen en geiten gespaard en het besluit van het stadsdeel uit 2001 het monument te renoveren op één lijn gesteld met het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid in 1945. Waarin een stadsdeel groot kan zijn!

Toen iemand op een inspraakbijeenkomst over de toekomst van het monument bepleitte daarin ook aandacht te schenken aan de ‘positieve aspecten’ van de Nederlandse koloniale aanwezigheid in Indonesië, werd hij weggehoond en werd hem toegeroepen of de ‘geweldige Hitler’ aan wie wij de Duitse autosnelwegen te danken hebben, dan soms ook een standbeeld moest krijgen.

Er is nu eenmaal een sterke behoefte om de geschiedenis in een contrast van zwart en wit te zien. Verering van absoluut goeden (Willem van Oranje, Anne Frank) zowel als verkettering van absoluut slechten (Jan Pieterszoon Coen, Van Heutsz) geeft ons blijkbaar een goed gevoel over ons zelf. Nuances bederven dat effect, maar die bepalen wel de historische werkelijkheid.

In Hoorn wilde een burgerinitiatief het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen volledig uit het straatbeeld verwijderen: het ging niet aan nietsvermoedende voorbijgangers te confronteren met een figuur die op de Banda-eilanden opdracht gaf tot massamoord teneinde de nootmuskaatoogst veilig te stellen voor de VOC! Maar het Hoornse gemeentebestuur vond het onjuist om zo de historie wit te wassen. Het liet het per ongeluk vernielde beeld herstellen en herplaatsen, met op de sokkel een toelichting, die zowel Coens ‘agressieve beleid, zijn harde handelspolitiek en zijn strafexpedities’ vermeldt als zijn vroegere status van nationale held en ook het feit dat hij een ‘krachtdadig en visionair bestuurder’ was die in plaats van het uitbaten van de kolonie ten bate van het moederland de ontplooiing van een inter-Aziatisch handelsnetwerk voorstond.

Zo’n evenwichtige opvatting van de koloniale geschiedenis zal helaas wel een uitzondering blijven. ,,Wanneer het verleden opspeelt en het nationaal geheugen uiterst zwak is, gebeuren er rare dingen,’’ schrijft historicus Joop de Jong. ,,Er is een steeds sterker wordende tendens om brokken verleden volstrekt geïsoleerd en los van hun oorspronkelijke context te duiden. Het verleden wordt door de mal van het heden gedraaid. Het wordt gemoraliseerd. Een huidige generatie treedt als rechter op en plaatst een vorige generatie in de beklaagdenbank.’’

John Jansen van Galen,
is als onderzoeker verbonden aan het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (IMES), waar hij werkt aan een project over de dekolonisatieprocessen bij de verschillende Nederlandse koloniën.



Indonesië / Koloniale geschiedenis /

Agenda


Hacking History
Een brainstorm over de relatie tussen Nederland en Indië en haar representatie in de openbare ruimte.

Netwerk


John Jansen van Galen

Journalist en schrijver