Over de rol van kunst in een globaliserende samenleving

Framer Framed

Foto: Rogier Fokke

Ja, zo ging dat nou eenmaal in de kolonie

‘Een monument blijft zelden effectief’, kopte de Volkskrant gisteren op 4 mei 2012. Het artikel past naadloos in recent opgelaaide discussies over wat wel mag, of niet kan, en wie we wanneer mogen herinneren, zoals het gedicht aan een foute oom die toch niet past op de Dam op 4 mei. De Dam blijkt daar nog te klein voor.

‘Op het moment dat het werk in een publieke ruimte geplaatst wordt, begint de confrontatie.’ Zegt kunstenaar Marcel Pinas over zijn openbare kunstwerken. Dat zou je ook kunnen stellen voor eerder genoemd gedicht of voor het monument dat ons vandaag inspireert.

Van Heutsz: heel veel mensen weten niet meer wie hij was, zeker diegenen die even oud of jonger zijn dan ik. Van Heutsz, man van stavast. Samen met JP Coen behoorlijk controversieel. Mannen die verschillende momenten uit het koloniale tijdperk in de Oost belichamen. Diegene die er beter vanaf komt lijkt Van Heutz. Zijn wrede ingrepen in Aceh in koloniale tijden waren ‘acts of war’. En dus geoorloofd. Althans, zo dachten we toen. Hij, de militair, deed wat moest. En zo kon het gebeuren dat het monument er kwam.

Laatst sprak ik een Joods-Irakese vrouw uit Amsterdam. Ze had zich wat ingelezen over Nederlands Indië en was perplex over, wat zij noemde het ‘systematische, georganiseerde geweld’ in de kolonie. Van Heutsz was een goed voorbeeld: zijn militaire ingrepen deed hij met chirurgische precisie. Hij wist precies wie hij moest hebben om de angel uit het verzet te halen. Saillant detail: dat alles kon hij doen dankzij Snouck Hurgronje, die als spy on the ground genadeloos de kopstukken eruit wist te vissen.

Voor ons in Nederland lijkt dat geweldsgegeven genormaliseerd. Ja, zo ging dat nou eenmaal in de kolonie, we vertalen het in eufemistische woorden als pacificatie, politionele acties. Het zijn ‘colonial casualties’.

Terug naar de herinnering.

Het van Heutsz monument heeft zich doorontwikkeld naar een herinneringsmonument voor de Indisch-Nederlands koloniale periode. En zo representeert een monument verschillende betekenissen door de jaren heen. En wordt het daarmee zowel gedeeld als omstreden erfgoed.

Het is wrang. Het huidige monument van herinnering belichaamt hoe Nederland omgaat met haar koloniale geschiedenis. Het vertelt ons dat we selectief herinneren, dat er tegengestelde belangen spelen, en dat er sprake is van amnesie, geheugenverlies of zelfs aphasie, het onvermogen herinnering aan de kolonie te vertalen in het talige.

Iratxe Jaio en Klaas van Gorkum, Kepala Batu (Hoofd van steen), 2012. Foto: Rogier Fokke / Framer Framed

Hoe kan het ook anders, het traumatische verlies van Nederlands-Indië gebeurde in dezelfde periode dat WOII net voorbij was. In WO II was Nederland bezet, het slachtoffer, dat uiteindelijk overwon. In Nederlands-Indië was Nederland de dader, die uiteindelijk verloor.

Door de jaren heen construeerden we in Nederland vormen van herinneren rondom WOII. Maar hoe geef je als natie vorm aan het herinneren van ons koloniaal verleden en je eigen rol daarin?

Ik ben zelf, met mijn Indische en Papoea roots een duidelijk product van die koloniale geschiedenis. En de directe herinneringen aan WOII kwamen zowel van mijn vader als moeder. Mijn moeder liep in de Hongerwinter de Nederlandse boerderijen af terwijl haar moeder, mijn Indische oma dus, joodse onderduikers verborgen hield in Den Haag. En mijn vader werd in Nederlands Nieuw-Guinea tewerk gesteld door de Japanners op een vissersboot en na diverse avonturen maakte hij in 1944 onderdeel uit van de geallieerde troepen die onder leiding van Generaal MacArthur landen in Nederlands Nieuw-Guinea.

U kunt zich voorstellen dat herinneringen bij mijn familie aan de keukentafel veel langskwamen, tijdens het eten van nasi goreng of papeda. Die oorlogsherinneringen werden vermengd met verhalen over hoe vervolgens Nederlands Nieuw-Guinea als laatste stukje Indie in 1962 moest worden opgegeven, nog zo’n koloniaal trauma. John Jansen van Galen heeft er uitgebreid over geschreven. Al deze herinneringen aan de keukentafel van mijn familie vonden geen weerklank zodra ik buiten de deur stapte en meedeed aan het leven buitenshuis.

Het is misschien om die reden dat ik samen met fotografe Bodil Anais en journaliste Eva Prins dit jaar een fotoboek heb samengesteld over 50 jaar Papoea’s in Nederland. Waarbij we ook de aankomst van Papoea’s alhier in 1962 herinneren. Daarmee maken we, zoals Pamela Pattynama zo mooi zegt in het voorwoord: de Papoeagemeenschap in Nederland los uit een culturele ‘onzichtbaarheid’. Het is mijn eigen monument, zogezegd.

Het boek laat zien dat hier wonende Papoea’s een postkoloniale herinneringsgemeenschap vormen. Papoea’s in Nederland delen herinneringen, een collectieve identiteit en een land van herkomst. Net als bv de Molukkers. De Papoea’s tonen loyaliteit aan die herinnering maar ook overlevingskracht in het huidige NL. We zijn niet alleen maar slachtoffers.

Het maken van het boek bracht me de levensles dat herinneren ook te maken heeft met helen. En hoe belangrijk het blijft om herinneringen te benoemen, zowel individueel als gezamenlijk, zodat we ze ook weer los kunnen laten.

De vraag is natuurlijk of dit herinneringsmonument voor de Indisch Nederlandse koloniale periode – diezelfde helende werking heeft. Ik vraag het mij af.

Nancy Jouwe
Column uitgesproken bij Monument Indië Nederland, 5 mei, 2012 ter gelegenheid van de bijeenkomst Hacking History.



Indonesië / Koloniale geschiedenis /

Agenda


Hacking History
Een brainstorm over de relatie tussen Nederland en Indië en haar representatie in de openbare ruimte.

Netwerk


Nancy Jouwe

Phd kandidaat