Op vrijdag 3 maart 2017 was de eerste lezing in de reeks open lezingen (maart en april 2017) georganiseerd door de leerstoel Nederlands-Caraïbische Letteren van de Universiteit van Amsterdam, prof. dr. Michiel van Kempen, en Framer Framed. Bij deze bijeenkomsten wordt ingegaan op de invloed van het kolonialisme en Nederlands imperialisme op (de relatie tussen) literatuur en beeldende kunst in de voormalige Nederlandse koloniën. Zoals Michiel van Kempen illustreert in zijn opening is het de bedoeling om met deze lezingen in de universiteit ruimte te creëren voor de maatschappij, en de universiteit weer in connectie met de samenleving te brengen.

In alweer het 11e jaar van de leerstoel geeft Caroline Drieënhuizen als eerste in de serie haar lezing over musea in verband met Nederlands-Indië. Caroline Drieënhuizen is docent aan de Open Universiteit, Amsterdam. Haar proefschrift gaat over de manier waarop musea zijn ingericht, en in het speciaal, met welk frame dit wordt gedaan. Ze werkt vanuit het perspectief dat objectiviteit binnen de context van kolonialisme en het postkolonialisme niet kan bestaan en het museum dus eigenlijk nooit het “neutrale instituut” zou kunnen zijn dat het wenst te zijn. Haar interesse gaat dus uit naar de manier waarop musea inzicht kunnen geven in de praktijken van het postkolonialisme door de manier waarop aan de objecten binnen een museum betekenis worden gegeven; door de specifieke narratieven waarbinnen zij worden geplaatst. Een voorbeeld van hoe deze betekenis wordt gegeven is het Museum Koninklijk Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in het vroegere Batavia, nu Jakarta. Deze casus zet Caroline Drieënhuizen af tegen Museum Koloniaal Instituut, Amsterdam en ‘s Rijks Ethnographisch Museum, Leiden.

Na deze inleiding op haar lezing gaat Caroline Drieënhuizen verder op de academische achtergrond van deze conceptualisering van musea. Lange tijd werd gedacht dat de musea de “waarheid” vertolkten. Als instellingen zouden ze informatie verschaffen over de wereld om ons heen, zelfs over verre werelden die wij niet persoonlijk zouden kunnen verkennen. Interessanter dan deze informatie voor waar te houden is het voor Caroline juist belangrijk te kijken naar de interpretatie die musea geven aan deze wereld. Deze is volgens haar namelijk sterk verbonden met de specifieke samenleving waarbinnen dit museum wordt ingericht. De tijd, de plaats, de samenleving, zelfs de regering van het moment beïnvloeden de boodschap die een museum vertolkt aan de bezoekers. Musea zijn nauw verbonden met de sociale, politieke en economische omstandigheden van het moment. Caroline introduceert hierbij deze nieuwe manier van denken over musea uit de jaren ’70: New Museology . Ze citeert Peter Vergo: “The very act of collecting has a political or ideological or aesthetic dimension which cannot be overlooked.” Ook noemt ze Benedict Anderson, die het musea zelf de ‘tools of Empire’ noemt; volgens dit idee wordt het museum ingezet als educatief middel in dienst van de maatschappelijke ontwikkeling. Vervolgens haalt ze James Clifford en Mary Louise Pratt aan: volgens hen is het museum een ‘contact zone’, een ‘site of contestation’. Het museum staat midden in de samenleving waarbinnen mensen het gesprek met elkaar kunnen aangaan en kritisch in kunnen gaan op de inhoud van deze musea. Musea kunnen zo volgens haar worden gezien als sociale en symbolische plekken waar betekenis gegenereerd wordt en daarmee noties van ‘zelf’ en de ‘ander’. Daarmee zijn de musea onderdeel van het cultureel archief dat Europa’s cultuur en zelfbeeld bepaalde en bepaalt. Het koloniale denken is doordrongen in Europa en de Europese identiteit; musea hebben daarbinnen een vormende rol. (Meer over het cultureel archief: zie Edward Said en Gloria Wekker).

De specifieke musea waar Caroline Drieënhuizen op in wil gaan zijn etnografische musea: musea waarin volkenkunde centraal staat. Ze vertelt over de geschiedenis van deze musea die in Europa in twee fasen werden opgericht: eerst in de periode 1850-1884, en later in de periode 1890-1930. Deze oprichting is nauw verbonden met de opkomst van de Antropologie in het begin van de 19e eeuw en het modern imperialisme. Binnen deze musea staat de levenswijze van mensen centraal, en dan in het specifiek degenen die als ‘verre ander’ voor de Nederlander konden worden gezien. Caroline legt de connectie tussen etnografische musea en kolonialisme en daarbij nationalisme; ze waren namelijk bedoeld om een showcase van het koloniale rijk te zijn, een tentoonstelling van wat er zoal is gekoloniseerd. Deze musea waren een toonbeeld van een type nationalistische trots op het koloniale rijk en het economisch gewin hiervan. Nauw verbonden met de moderne samenleving wordt het museum een embleem van het modernisme door het verleden centraal te stellen. Caroline benoemt hoe dit samenkomt met de opkomst van de evolutietheorie in de 19e eeuw. Dit gaat om het idee dat er sociale evolutie plaatsvindt, dat mensen zich ‘ontwikkelen’; de ‘stadia’ van de mens waarbij de ‘primitieve’ bevolking als object kan worden geanalyseerd. Om dit verder te illustreren noemt Caroline het etnografische museum dat in Amsterdam in de dierentuin Artis werd neergezet, waar de mens werd getoond als ‘hoogste wezen’ naast de dieren. Sinds 1851 is dit museum onderdeel van het natuurhistorische ‘Groote Museum’, en van 1888 tot 1911 werd het een zelfstandig museum. Frederik van Eeden, nauw verbonden met de maatschappij van nijverheid, liet dingen zien waarmee men een economisch gewin kon maken. Zijn collectie Haarlem bestond sinds 1859 en is sinds 1871 ondergebracht in het Paviljoen Welgelegen, Haarlem. Al deze musea werden te groot: in 1910 werd daarom het Vereeniging Koloniaal Instituut opgericht; dit is het begin van wat nu het Tropenmuseum heet. In Leiden ontstond ondertussen de ‘Verzameling Von Siebold’ in 1837, het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden, van 1816-1883 en ‘s Rijks Etnographisch Museum, vanaf 1864.

Hier tegenover zet Caroline Drieënhuizen het gebouw van het in Jakarta, door Nederland opgetrokken, museum Bataviaasch Genootschap. Dit gebouw was duidelijk gebouwd volgens wat de Europese grondleggers van de verlichting in 1880 voor ogen hadden; een classicistisch, ‘Europees’ gebouw. Ze gaat in op de inhoud: er was een grote afdeling etnografie op de binnenplaats, een grote collectie archeologie, keramische collectie, een bibliotheek over de prehistorie. De archeologische afdeling was gericht op Hindoeïstische Javaanse kunst, zo gezien als de meest verheven kunst van Indonesië. Hoewel de bezoekers vooral Europees waren, kwamen er ook Indonesiërs. In 1926 werd het museum geopend, met etnografische ‘sfeerbeelden’ zoals ze het zelf noemden. Dit was bijvoorbeeld de suggestie van een jungle met palmen, waarbij de mensen als ‘wilden’ worden afgebeeld. Caroline laat zo zien hoe de beeldvorming van de gekoloniseerden door de kolonisator, Nederland, beïnvloed wordt.

Door over de geschiedenis van dit museum te vertellen laat Caroline Drieënhuizen de koppeling met de veranderende politiek zien en de manier waarop dekolonisatie uiteindelijk de toon voert. In 1942 wordt Jakarta bezet door Japan, waardoor de functie en invulling van het museum veranderen. Het museum wordt onderdeel van de Japanse propaganda; alle Nederlandse geschriften en portretten van de koninklijke familie moesten verdwijnen. Het personeel krijgt de opdracht de relatie tussen de Indonesische en Japanse prehistorie te onderzoeken, om de raciale en historische verbanden tussen beide volkeren te zien. Na het einde van de Japanse overname zet het Indonesische personeel zich af tegen het Nederlandse personeel. Het museum is een tijdje dicht, de Europeanen komen terug in 1946 en ontdekken dat het museum republikeins aan het worden is. Terwijl de Nederlanders aan mogelijkheden denken om het museum terug te winnen, komt vanuit Het Verenigd Koninkrijk de roep dat het museum voor de Indonesiërs zelf moet zijn. Met deze poging tot dekolonisatie wordt het museum officieel Indonesisch in 1949 en krijgt het expliciet het doel om Indonesische burgers te creëren. In het museum komen veranderingen; de rol van de Europeanen wordt ondergeschikt gemaakt aan Indonesische geschiedenis, de denigrerende beelden van ‘wilden’ worden weggehaald. Na de dekolonisatie wordt bij bepaalde objecten, oorspronkelijk vanuit de Hindoeïstische invalshoek, de rol van de Islam groter, de steeds belangrijker wordende godsdienst in Indonesië.

In verband met het veranderen van het koloniale stelsel laat Caroline veranderingen zien in Nederland: het Museum Koloniaal Instituut wordt het Indische museum, het Tropenmuseum legt het concentratiepunt op ontwikkelingssamenwerking in plaats van de voormalige koloniën. Zo verdwijnt een gedeelte van dit koloniale verleden, Caroline noemt hier ook kritieken over van bezoekers. Hierbij bespreekt ze een van haar discussiepunten; hoe moet worden omgegaan met tastbare herinneringen van het koloniale verleden en hoe moet men hierop reflecteren?

Caroline Drieënhuizen maakt een conclusie aan haar presentatie door te herhalen: musea reflecteren niet alleen, maar zijn vooral instrumenteel geweest in het vormen van de maatschappij. Musea geven inzicht in de praktijken van het kolonialisme, zoals ‘Othering’, het tot “verre andere” maken van gekoloniseerde mensen, de leidende rol van het Westen, maar ook in dekolonisatie. Etnografische musea zijn tot op het heden nog steeds nauw verbonden met de geschiedenis van het kolonialisme, en hebben dus een ideologische en politieke lading.

Na haar lezing is er tijd voor vragen. Wat aangehaald wordt is het plan van het Tropenmuseum; hier wordt er aan gewerkt om in 2020 een vaste opstelling te hebben waarin de slavernij een grotere plek krijgt. We eindigen op een gezamenlijk punt vanuit waar we verder kunnen denken: in plaats van het vergeten en doen verdwijnen van de koloniale geschiedenis, is het juist belangrijk deze onder ogen te komen en hier kennis van op te doen. Zo laat Caroline Drieënhuizen ons zien hoe de geschiedenis van musea gelinkt aan het kolonialisme relevant is voor hoe wij vandaag de dag met het kolonialisme omgaan.

Verslag door Anne Celine Sikma